Minister kan voor Vietnam geldbuidel niet trekken

AMSTERDAM, 30 JAN. De kleurenbijlage van de New York Times had onlangs een groot artikel over de Vietnamese versie van de perestrojka. "Doi moi', vernieuwing, heet het daar. Het Noorden won de oorlog, het Zuiden wint de vrede, was de teneur van het verhaal. De Amerikanen moeten zelfs oppassen dat ze niet door de Japanners worden geklopt in het snel verbeterende zakenklimaat van Vietnam. De reportage bevatte echter ook een ontnuchterend terzijde: vorige maand zeiden Westerse diplomaten in Hanoi dat Vietnam “spoedig” waarnemers van het Internationale Rode Kruis zou toestaan de heropvoedingskampen binnen te gaan.

Het is dus maar wat men onder vernieuwing verstaat. En dat is precies het probleem waarvoor staatssecretaris Kosto van justitie staat in het geval van de Vietnamezen die uit Tsjechoslowakije zijn uitgeweken naar ons land. Zij vragen hier asiel, maar dat is geweigerd. Daarom moeten ze terug, aldus Kosto, zo niet naar Tsjechoslowakije, waar ze als gastarbeider of student hebben gewerkt, dan naar hun vaderland. De bereidheid van Praag om de Vietnamezen terug te nemen is van meet af aan minimaal geweest. De opening die de Tsjechoslowaakse minister van buitenlandse zaken, J. Dienstbier, vorige week in een gesprek met zijn Nederlandse ambtsgenoot Van den Broek bood, namelijk dat de Vietnamezen welkom zijn wanneer vrijwillig terugkeren, is een loos gebaar. Immers, geen van de hier verblijvende Vietnamezen wil vrijwillig terug.

Het Tsjechische standpunt is dat de Vietnamezen iedere band met dit land hebben verbroken door hun werk of studie te verlaten. Daardoor zouden hun verblijfsvergunningen zijn vervallen. Maar dat zegt nog niet dat Nederland hen dan maar moet opnemen. Stelregel is dat een vreemdeling het recht heeft om uit te reizen naar een land van zijn voorkeur waar zijn toegang is gewaarborgd. Deze toegang heeft Kosto de Vietnamezen echter nu juist gemotiveerd geweigerd. Vanuit Nederland gezien is (behoudens tussenkomst van de rechter) uitzetting dan gerechtvaardigd. Volkenrechtelijk is het niet geoorloofd vreemdelingen tegen de wil van andere staten op hun grondgebied af te schuiven. Dat werkt echter wederzijds. Als Praag niet kan worden verplicht de Vietnamezen terug te nemen, dan kan Den Haag in elk geval niet worden verplicht ze op te nemen.

In elk geval is ook bij ontbreken van een legale bestemming daadwerkelijke verwijdering uit ons land mogelijk, zegt de Utrechtse hoogleraar mr. A.H.J. Swart in zijn standaardwerk over de toelating en uitzetting van vreemdelingen. Het gevolg is het zogeheten "ping-pongen' met ongewenste vreemdelingen tussen staten, waarbij mensen telkens weer worden verplicht te vertrekken.

De impasse is compleet geworden door de onderzoeksmissie die de kerkelijke vluchtelingenorganisatie Inlia (Internationaal netwerk van lokale initiatieven ten behoeve van asielzoekers) naar Tsjechoslowakije zond. Met het verlenen van kerkasiel aan een aantal Vietnamezen had deze organisatie onmiskenbaar partij gekozen in de kwestie. Het komt niet werkelijk als een verrassing dat de missie terugkeerde met het Tsjechoslowaaks equivalent van "njet', kort daarop gevolgd door het officiële nee van Praag. Het blijft overigens een wonder waarom het Nederlandse kerkvolk zich opeens zo druk maakt over Vietnamezen van wie vast staat dat zij hun eigen land niet zijn ontvlucht. Het Tsjechoslowakije van de Omslag zal ongetwijfeld niet erg aangenaam voor hen zijn. Maar dat is toch geen vergelijk met bijvoorbeeld Ethiopiërs die tussen wal en schip vallen.

Bij de onderzoeksmissie heeft het speciaal verontwaardiging gewekt dat Vietnamezen uitgezet zullen worden omdat ze uitgeprocedeerd zijn, terwijl dat helemaal niet het geval is. Inderdaad staat tegen een afwijzing door de staatssecretaris van justitie beroep op de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State open. Maar dat is hier niet het punt. De vraag is of de betrokkenen de uitspraak van de Raad van State hier in het land mogen afwachten; "schorsende werking' heet dat in het jargon. Maatstaf hiervoor is volgens een uitspraak van een andere hoge rechter, de Hoge Raad, of “tussen redelijk denkende mensen er geen twijfel aan kan bestaan, dat de vreemdeling zich, objectief beschouwd, niet in een vluchtsituatie bevindt”. Dat was in 1984 in de zaak-Mosa, en eind vorig jaar heeft de Hoge Raad dit voor alle zekerheid (er is inmiddels iets veranderd in de Vreemdelingencirculaire waaraan dit criterium was ontleend) nog weer bevestigd.

Het Mosa-criterium kan door iedere met uitzetting bedreigde vreemdeling worden ingeroepen bij de rechter in kort geding. In het geval van de Vietnamezen is dit enkele malen met succes gebeurd. Volgens diezelfde maatstaf zijn de afgewezen gevallen, waarin Kosto nu tot uitzetting wil overgaan, echt als kansloos te beschouwen. En het Mosa-criterium is volgens de Hoge Raad zelf aan de strenge kant - voor de staat.

Tsjechoslowakije - van waaruit de Vietnamezen immers rechtstreeks naar ons land, en een afwijzing, zijn gereisd - is en blijft een gerede bestemming. Maar Kosto sluit ook Vietnam niet uit. Dat doet hij ongetwijfeld met een schuin oog naar de Bondsrepubliek, die op het punt staat met Hanoi een akkoord over repatriëring te sluiten. Essentieel bestanddeel daarvan is een fiks fonds (men zegt 10 miljoen mark) ter bekostiging van de herintegratie van de betrokkenen als tegenprestatie voor het afzien van repressailles.

Moet Nederland niet ook gewoon de geldbuidel trekken? Minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking) heeft er vanuit zijn verantwoordelijkheid in elk geval wel oren naar. De Vietnamese "Doi moi' laat ook ons departement van ontwikkelingssamenwerking niet onberoerd. “Ik zou Vietnam graag hulp geven vanwege de toenemende marktoriëntatie. Als er een land is dat zich heel snel ontwikkelt weg van een centraal planningsbeleid, dan is het Vietnam”, zei Pronk bij de behandeling van zijn jongste begroting eind vorig jaar.

Toen kwam de anti-climax: “Maar daar kan ik dus geen hulp aan geven”. De handen van de bewindsman zijn gebonden, omdat de Kamer in december 1990 steun heeft gegeven aan een motie van het CDA waarin wordt gezegd dat er niet voldoende argumenten bestaan voor het starten van nieuwe bilaterale ontwikkelingsprogramma's in de Mekong-regio waarbinnen onder andere Vietnam valt. Maar misschien leidt de vraag of de coalitie Kosto niet de winter dóór en ons land van een netelig kerkasielprobleem àf kan helpen, tot heroverweging.