Jeugdgezondheidszorg staat op het spel

In Nederland wordt de preventieve gezondheidszorg voor kinderen tot aan de schoolleeftijd al ongeveer honderd jaar georganiseerd en uitgevoerd door de kruisverenigingen.

In vrijwel elk dorp, plaats en stadswijk worden met grote regelmaat consultatiesgehouden. Kinderen worden hier ingeënt tegen infectieziekten, ze worden er onderzocht op hun lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en ouders kunnen er voorlichting en advies krijgen over veiligheid, (op)voeding en verzorging. Bijna alle ouders maken op ruime schaal gebruik van deze voorziening en in het algemeen zijn ze er zeer tevreden over, zo blijkt uit recente opiniepeilingen. Deze jeugdgezondheidszorg is te beschouwen als een basisvoorziening, en wordt tot dusverre dan ook betaald uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de AWBZ. Dat betekent dat elk kind, elke ouder in Nederland ongeacht zijn woonplaats recht heeft op dezelfde voorzieningen. Met dit goed georganiseerde, fijnmazige en laagdrempelige netwerk van consultatiebureaus zijn in Nederland zeer goede resultaten bereikt. Niet alleen behoort de gezondheidstoestand van Nederlandse kinderen mede dank zij dit systeem tot de beste ter wereld (de vaccinatiegraad van ruim negentig procent wordt bijvoorbeeld bijna nergens ter wereld geëvenaard), maar ook blijkt het landelijk netwerk van consultatiebureaus in staat te zijn om snel en efficiënt in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Via de bureaus kon enige tijd geleden bijvoorbeeld een drastische daling van het aantal kinderen dat overleed aan wiegedood worden bereikt, doordat nieuwe wetenschappelijke richtlijnen over buikligging zeer snel aan ouders konden worden verstrekt.

Op 18 december hebben de Tweede-Kamerleden Vriens (CDA) en Van Otterloo (PvdA) bij motie voorgesteld om de verantwoordelijkheid en financiële middelen voor deze jeugdgezondheidszorg over te dragen aan de gemeenten. Dit voorstel betekent naar mijn mening dat dit goed functionerende en landelijk gecoördineerde systeem in één klap in de prullenbak wordt gegooid. Elke gemeente in Nederland moet dan immers zèlf gaan beslissen hoeveel geld men voor deze zorg over heeft, welke inhoud die heeft, en door wie deze wordt uitgevoerd. Niets ten nadele van de gemeenten, maar één ding is zeker: door deze maatregel zullen er in Nederland grote verschillen ontstaan in het niveau van gezondheidsvoorzieningen voor jonge kinderen. Dit is de afgelopen jaren al gebeurd met het "oudere broertje' van de consultatiebureaus: de schoolgezondheidszorg voor kinderen van vier tot negentien jaar. Een paar jaar nadat die voorziening met een bijbehorend budget naar de gemeenten was overgeheveld, is een groot aantal JGZ-diensten als gevolg van bezuinigingen en andere prioriteitsstellingen bijna tot een minimum gereduceerd. Dat voorspelt weinig goeds voor de zuigelingen- en kleuterzorg: wanneer de Kamer akkoord gaat met deze ondoordachte plannen, zal er binnen enkele jaren een sterke achteruitgang zichtbaar zijn in de gezondheidstoestand van de Nederlandse jeugd. Vergelijking met andere landen waar gelijksoortige overhevelingen hebben plaatsgehad, zoals Engeland, laat zien dat verslechteringen op gezondheidsindicatoren zoals zuigelingensterfte, vaccinatiegraad, incidentie van kindermishandeling en het tijdstip van ontdekking van ontwikkelingsstoornissen zeer snel zullen optreden.

Dat dit alles uiteindelijk ook sterk kostenverhogend voor de totale gezondheidszorg zal werken, vind ik zelf nog de minst ernstige consequentie. In de Verenigde Staten komt men op dit moment cynisch genoeg tot de conclusie, dat juist het ontbreken van een nationaal georganiseerd en gegarandeerd preventief gezondheidsprogramma voor jonge kinderen blijkt te leiden tot enorme regionale en plaatselijke verschillen in zuigelingensterfte, vaccinatiegraad, et cetera. Amerikaanse Congresleden, onlangs hier op bezoek, konden nauwelijks geloven dat wij in Nederland voor het luttele bedrag van ƒ 200,- per kind per jaar een zo uitgebreid en landelijk dekkend systeem van jeugdgezondheidszorg in stand konden houden.

Eigenlijk is het onvoorstelbaar wat hier dreigt te gebeuren: enkele jaren geleden (in de tijd van de commissie-Dekker) hebben dezelfde politici die nu deze gevaarlijke voorstellen doen, aan de kruisverenigingen de eis gesteld binnen een paar jaar inzicht te geven in de verhouding tussen kosten en effectiviteit van de jeugdgezondheidszorg. Met subsidie van de overheid is daar vervolgens een unieke studie naar verricht: uniek omdat voor de eerste keer in Nederland een hele gezondheidszorg-sector op die manier werd doorgelicht. In het voorjaar verschijnt van die studie het eindrapport. De conclusie is dat de Nederlandse jeugdgezondheidszorg zeer veel gezondheidswinst oplevert voor relatief weinig geld. Maar kennelijk zijn de politici niet meer geïnteresseerd in de vraag naar de effectiviteit van de gezondheidszorg.