Geschiedenis; Eigentijdse terugblik

P.W. KLEIN is hoogleraar Algemene Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden en voorzitter van het Nederlands Historisch Genootschap. Hij is tevens voorzitter van de afdeling Letteren van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

In de geschiedwetenschap observeert de mens zichzelf, zei de Britse historicus E.H. Carr in zijn Trevelyan Lectures aan de universiteit van Cambridge. Er heerst geen duidelijke scheiding tussen de onderzoeksstof en de onderzoeker zoals in de natuurwetenschappen. Tussen de historicus en zijn "feiten' bestaat een directe relatie die steeds verandert, aldus Carr.

Wat voor de een een antwoord is, levert voor de ander weer nieuwe vragen op. De ene geschiedvorser wijst uit de triljoenen feiten uit het verleden enkele aan als "historisch'. De andere maakt, mede onder invloed van een andere tijd en dus andere waarden, een andere selectie en noemt die "geschiedenis'. Soms is er even consensus in het eindeloze debat. Carr: "De historicus heeft om bepaalde redenen besloten dat de oversteek door Caesar van de Rubicon een historisch feit is, terwijl de oversteek door miljoenen anderen niemand iets interesseert.' ( is History?, 1961).

"En daarom is met de kwestie welke vragen onbeantwoord zijn gebleven in de geschiedenis niets aan te vangen', voegt prof.dr. P.W. Klein (60), hoogleraar algemene geschiedenis in Leiden, daar aan toe. "Het is een typische beta-vraag. Bovendien: es eigentlich gewesen om het ideaal van de negentiende-eeuwse Duitse historicus Von Ranke aan te halen, daar zullen we nooit precies achter komen. Daarvoor is geschiedenis veel te ingewikkeld. Je weet nooit wat mensen precies drijft. Je weet van jezelf niet eens waarom je bepaalde dingen doet. Daarom ga je interpreteren.

"Natuurlijk, er zijn boekenkasten volgeschreven over de opkomst van het totalitarisme. Toch weten we nog steeds niet precies hoe het ontstaan is. Aan de andere kant hebben we ook ontdekt dat het niet alleen is toe te schrijven aan de persoonlijkheid van Hitler. We weten inmiddels ook dat we de ellende van de Tweede Oorlog in Azie niet alleen in de schoenen kunnen schuiven van de Japanners, al weet lang niet iedereen dat. Uiteindelijk kom je toch steeds weer uit bij Pieter Geyl: ""De geschiedenis is een discussie zonder eind.''

"Mijn collega Van Deursen van de Vrije Universiteit zegt dan: ""Ik kan me niet voorstellen dat een historicus elke ochtend handenwrijvend aan zijn werk begint om mee te doen aan een discussie zonder einde,'' maar dat is een karikatuur. Van Deursen wil nog steeds de geschiedenis zoveel mogelijk schrijven zoals ze toen geweest is, recht doen aan de mens van toen _ zoals Von Ranke wilde. Nou, dan haak ik af want ik weet niet hoe ik recht moet doen aan dooie mensen. Toch bestaat die opvatting van Van Deursen in bredere kring. Kossmann en Ankersmit in Groningen denken ook een beetje zo: met een lichte geamuseerdheid kijken naar het eigentijdse, geschiedenis omwille van de geschiedenis beoefenen. Ook leuk, maar ik wil bij mijn onderzoek toch altijd iets van mijn eigen omgeving meenemen.

"Geschiedenis wordt gemaakt door historici. Daarbij gaat het er vaak meer om hoe je aan je wetenschap komt dan waarmee je komt. Het is vooral een kwestie van methoden en nieuwe gebieden zoals bijvoorbeeld de arbeidersgeschiedenis, en de economische geschiedenis. Honderdvijftig jaar geleden was het: politieke geschiedenis, punt uit.

"Inmiddels zijn de spannende tijden van de economische geschiedenis ook al weer voorbij. Ik kan met de beste wil van de wereld niet zien wat er spannend is aan de economische geschiedenis van dit moment. In de jaren zestig had je nog spannende dingen zoals de take-off theorie van Rostow (volgens de take-off theorie, onder andere toegepast op de Derde Wereld, kan versnelde industrialisatie en economische groei plaatsvinden door sprongsgewijze verhoging van investeringen en de aanwezigheid van bepaalde sectors zoals de ijzer- en staalindustrie red.). Het laatste echt spannende was de theorie van Wallerstein. Die schreef over een wereldomvattend kapitalistisch systeem van uitbuiting, een groot schema waarin de groei van de wereldeconomie werd gevat. Maar er is geen mens meer die dat nog serieus neemt. Het is allemaal uitgekauwd.'

"De vraagstelling in de geschiedwetenschap hangt sterk af van de actualiteit. Zo heeft de val van het Soviet-imperium grote consequenties voor zeer veel debatten. Veel bronnenmateriaal wordt daardoor straks toegankelijk. De geschiedwetenschap zou geen knip voor de neus waard zijn als ze daar niets mee deed. Het optreden van Gorbatsjov maakt bijvoorbeeld de vraag opnieuw relevant naar de rol van grote mannen in de wereldgeschiedenis. En misschien gaan we het totalitarisme anders bekijken nu we weten dat het iemand kan voortbrengen die het systeem opblaast.

"Ik kan me ook voorstellen dat het vraagstuk van de economische orde weer actueel wordt. We beleven nu zogenaamd het einde van de geschiedenis, de triomf van het liberale kapitalisme. Dat kan voor kritische intellectuelen reden zijn om te zeggen: Is dat nou werkelijk zo? Het is toch gek dat een centraal geleid stelsel zomaar verdwijnt? Hoepla, niemand die het verwacht had. Nou, dat geeft reden tot verwondering.

"In de jaren dertig hadden we over die economische orde voor de laatste keer een groot debat. Naar aanleiding van de opkomst van het fascisme, de corporatieve ordening en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie ontstond toen een nieuw debat over het mercantilisme in de zeventiende en achttiende eeuw. Daarbij stond de vraag centraal: wat is de optimale verhouding tussen individu en collectief?

"Dat debat is in de jaren vijftig doodgebloed. Als het debat onder invloed van de actualiteit nu weer heropend wordt, begint men niet waar men veertig jaar geleden is geeindigd, maar wordt het weer helemaal over gedaan. De omstandigheden zijn namelijk anders geworden. Er heerst nu geen wereld depressie die aanleiding geeft tot zo'n bezinning maar het is de val van het Sovjet-rijk, een politieke aanleiding dus.

"De vraag zou bijvoorbeeld nu kunnen zijn: hadden ze het daar in Sovjet-Unie niet beter kunnen doen? Neem Schumpeter, toch een grote naam op mijn vakgebied. Die stelde in Socialism and Democracy de klassieke vraag: capitalism survive? No, I do not think it can. In het derde deel vroeg hij: socialism work? Of course it can. Het is dus allemaal een beetje anders gelopen. Of het socialisme wel had kunnen werken zou een debat met politieke vragen kunnen worden. De politieke geschiedenis beleeft nu al een als je de vaktijdschriften bekijkt, net als de militaire geschiedenis trouwens.

"Ook zouden we op den duur best anders kunnen gaan aankijken tegen de tegenstelling tussen de Sovjet-Unie en het Westen. Die heeft altijd zo scherp geleken. Nou, ik geloof er geen barst van dat die tegenstelling er in de praktijk is, want het westers kapitalisme is allang geen kapitalisme meer. Een enorm percentage van ons nationaal inkomen wordt door de overheid verdeeld. Wij zijn volstrekt niet vrij om te doen en te laten wat we willen op de markt. Alleen: de ontwikkeling daarnaartoe is bij ons sluipend gegaan, zonder dictatuur van een partij. Misschien moeten we daarom straks tot de conclusie komen dat communisme en kapitalisme twee kindertjes van dezelfde Verlichting zijn.

"Als de bronnen in de Sovjet Unie open gaan, zal er eerst een kakafonie van meningen komen, totdat je lieden krijgt die een heldere these formuleren. De gebeurtenis is er groot genoeg voor. Die voedt de behoefte om alles in een schema weer te geven. Je moet het een beetje vergelijken met de Franse revolutie. Daarvan weten we nu dat het niet een revolutie is geweest maar een toevallige samenloop van omstandigheden van verschillende revoluties, ik chargeer nu wat. Hoe weten we dat? Omdat we niet meer uitsluitend kijken naar de sociale kant, of de financiele, of de politieke of economische. Er zijn steeds meer invalshoeken gekomen. Maar alles begon met de klaroenstoot in de negentiende eeuw van Michelet. Die vatte alles in een these, een visie. Daar krijg je dan discussie over.

"Het zal echter nog een tijd duren voordat we toe zijn aan zo'n gedistantieerde, onpersoonlijke benadering. Daar moet je grotere afstand voor hebben. Voorlopig zullen we het moeten doen met bijvoorbeeld een biografie van Gorbatsjov, de ideale vorm van geschiedenis, vind ik. Hierin wordt namelijk het handelen van individuen begrijpelijk gemaakt in hun maatschappelijke context. Geschiedenis wordt door mensen gemaakt. De biografie is het mooiste wat er is.'

"Een tweede debat - maar dat is een beetje speculeren - zou kunnen ontstaan over migratie, bevolkingsbewegingen. Tinbergen zou best eens gelijk kunnen krijgen: de mensen uit de Tweede en Derde Wereld komen het hier halen. En waarom ook niet! Wij gingen vroeger daar toch ook heen? Niemand die daar toen over klaagde.

"Ik ben in Leiden bezig met een nieuwe studierichting, die ik voorlopig "etnische minderheden' genoemd heb, maar dat is de verkeerde term. Ik erger mij er in elk geval over dat in de sociale en politieke wetenschappen nieuwkomers altijd zijn beschouwd als een probleem dat opgelost moet worden. Dat is niet mijn invalshoek. Als historicus moet je constateren dat ook die nieuwkomers deel zijn van onze geschiedenis, onze cultuur. Je krijgt dan een heel andere invalshoek: wat is de bijdrage van die nieuwkomers aan onze cultuur? Er valt namelijk niet zoveel "op te lossen', denk ik. Ik geloof niet zo in een maakbare samenleving, wel in pogingen om er het beste van te maken, een soort through. Lijphart zegt dan in het minderhedendebat: "Maak er een zuil van'. De discussie die dan ontstaat vind ik interessant, niet uit het oogpunt van het oplossen van het probleem, maar wat de standpunten over onszelf zeggen, dat we zo denken. Dat is de historische benadering.

"Wat ook debat zal oproepen is de huiveringwekkende toename van het aantal historici hier in het Westen, en van de historische produktie. Het is ongelooflijk wat er allemaal verschijnt in het wetenschappelijke en grijze circuit. We moeten allemaal grensverleggend bezig zijn, en dat zijn we dan dus ook.

"Dat kun je niet altijd zeggen van de verdeling van onderzoeksgelden. Ik ben jaren lang voorzitter geweest van de gebiedsraad Maatschappijwetenschappen van wat toen nog ZWO heette. Bij het verdelen van subsidie legden we ons toe op de risicoloze gebieden. Je was doodsbenauwd dat je gemeenschapsgeld ging verspillen, dat onderzoek zou mislukken. Daarmee ging je onderzoek subsidieren waarvan je kon voorspellen wat er over vijf, zes, zeven jaar uitkwam. De verdeling van gelden is gebureaucratiseerd, veilig gemaakt.

"Wat de toename van historici en historische produktie voor ons vak zal betekenen is een open vraag. Misschien dat daardoor de behoefte aan syntheses zal toenemen.'

"De groei van het archiefbestand zal ons eveneens voor nieuwe vragen gaan stellen. In de zeventiende en achttiende eeuw was er nog niet zoveel. Nu moeten we sterk gaan selecteren. Historici zijn onvoldoende in dit vraagstuk geinteresseerd. Maar het is onredelijk van de archivarissen te vragen dit probleem in hun eentje op te lossen. En de politiek is alleen geinteresseerd als het om zoiets als de Thorbecke-brieven gaat. Die zou het liefst willen dat we ons alleen daar mee bezig hielden. Over wat we nou precies wel en niet moeten bewaren moeten maar eens een paar fikse rellen komen.

"Daarbij komt nog dat het enorm toegenomen gebruik van telefoon en fax ons voor steeds grotere problemen stelt. Dat heb ik zelf aan den lijve ondervonden. Heeft u wel eens van Paul Rijkens gehoord? Hij was een groot ondernemer die zich na zijn pensionering als president-directeur van Unilever in de politiek waagde. Rijkens leidde in de jaren vijftig een groep industrielen, vakbondsmensen en intellectuelen die voor overdracht van Nieuw-Guinea was en daarmee tegen het regeringsbeleid inging. Hij was een vijand van Luns en bepaald geen kleine jongen. Hij wist rechtsstreeks van Churchill dat Nederland op 10 mei 1940 zou worden aangevallen en heeft voor de oorlog succesvol met Hitler onderhandeld over de positie van Unilever.

"Ik kreeg inzage in het archief over die Rijkens. De man boeide me al langer: een grootondernemer met uitstekende contacten in Amerikaanse regeringskringen, maar hier een kind in de politiek, die tegen gladjakkers als De Quay, Oud en Luns oploopt. Mede gedreven door mijn voorliefde voor de biografie heb ik drie maal geprobeerd er een verhaal over te schrijven. Het werd een buitengewoon spannend verhaal met sluipmoorden en spionage, rooie oortjes kortom. Maar ik heb het drie maal verscheurd. Er is teveel van de telefoon gebruik gemaakt. Daardoor ben ik nooit te weten gekomen wat er precies is gebeurd.'