Filosofie; "Waarover beschikt iemand die over kennis beschikt?'

GERARD DE VRIES (1948) van huis uit wiskundige, gepromoveerd op een wetenschapstheoretische verhandeling over sociologie. Hij is nu hoogleraar Wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Limburg.

"Filosofen', zegt Gerard de Vries, van huis uit wiskundige, gepromoveerd op een boek over de sociologie en nu hoogleraar Wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Limburg, "filosofen zijn geneigd een abstractie hoger te gaan. Dus als je ze naar niet-beantwoorde vragen vraagt, zullen ze zich eerst gaan afvragen wat beantwoord en wat niet-beantwoord vragen zijn. Die traditie vind je al bij Kant en de laatste die zich deze vraag heeft gesteld was Wittgenstein in de Wat kan mogelijkerwijs gezegd worden, wat bestaat mogelijkerwijs? Waarover valt te argumentern, wat valt te rechtvaardigen? Dat soort kwesties. "Op dit moment zullen nog maar heel weinig filosofen hun vakgebied zo omschrijven. Dat heeft te maken met het feit dat filosofie niet meer de "koningin der wetenschappen' is die zij vroeger was. Er zijn andere vormen van reflectie gekomen _ zowel binnen de humaniora als in de sociale wetenschappen. Filosofen zijn gaan inzien dat het niet hun taak is om theorieen te formuleren die voor eens en voor altijd vastleggen waarover te argumenteren valt. Argumenteren is een pragmatische aangelegenheid, een zaak die mensen met elkaar uitmaken. Het is geen zaak van mensen en iets hogers: God, de Rationaliteit, of wat al niet.

"De stijl van de wetenschapsfilosofie is dus veranderd. Wetenschapsfilosofen benaderen de wetenschap nu als agnostische buitenstaanders. In plaats van vragen als: ""Wat is kennis, wat is wetenschap, wat is een experiment'', gaat het nu veel meer om de vragen: ""Hoe worden experimenten uitgevoerd, wat doen wetenschappers wanneer ze wetenschap beoefenen?''

"Daarmee is de scheidslijn tussen filosofie en de sociale wetenschappen vervaagd. Een groot deel van mijn eigen werk kan filosofie heten, maar kan voor hetzelfde geld ook sociologie worden genoemd. Hoe je het moet noemen is overigens het laatste dat me interesseert.

"Die ontwikkeling heeft zich de afgelopen tien, twintig jaar voltrokken en dat komt doordat we hebben ingezien dat de kennistheoretische aanpak die vanaf de Verlichting is gehanteerd op een aantal fundamentele problemen stuit. Dat is goed uit te leggen aan de hand van drie kernbegrippen: zekerheid, waarheid en kennis. De traditionele kennistheorie verbond met wetenschap het idee dat we het daar hebben over kennis die met zekerheid waar is. Maar ten aanzien van elk van die drie begrippen valt een terugtrekkende beweging te zien.'

"Zekerheid sneuvelde het eerst. In de zeventiende en achttiende eeuw begint dat al te slijten, wanneer zekerheid wordt ingeruild voor waarschijnlijkheid. Nu overheerst de opvatting die we het fallibilisme kunnen noemen: niets is zeker, alle kennis heeft het karakter van een hypothese en verder zullen we nooit komen.

"Met waarheid is het ingewikkelder en het proces is hier langzamer verlopen. Het grondidee van waarheid is dat ware uitspraken naar feiten verwijzen. Dat taal verwijst naar iets dat niet "talig' is: de wereld. Maar in de loop van deze eeuw is gebleken dat dit idee niet coherent is. Dat taal zou verwijzen naar een referent die buiten ons ligt, dat is niet meer te verdedigen. ""Feiten zijn theoriegeladen'', heeft Popper gezegd. Iets wat eigenlijk ook al in de der Reinen Vernunft van Kant stond. Maar het besef dat er toch iets fundamenteels, iets ernstigs met het waarheidsbegrip aan de hand is, heeft vooral de afgelopen 25 jaar postgevat. Dat heeft in de eerste plaats met een nieuwe visie op taal te maken. De opvatting dat taal een neutraal instrument is, een voertuig van kennis, het medium dat tussen subject en object bemiddelt _ dat idee is steeds meer onder vuur komen te liggen. Die visie op de taal is door Wittgenstein in de sche Untersuchungen al uitgebreid gekritiseerd en ook in het werk van Amerikaanse filosofen als Quine, Davidson en Goodman wordt dat hele kennistheoretische basisidee _ een subject, een object waarnaar gerefereerd wordt en waarover het subject kennis zou moeten vergaren, en de taal als medium _ weggevaagd; taal speelt een rol in de constitutie van het object van onderzoek.

"Op het moment dat je zekerheid en waarheid ter discussie stelt ben je natuurlijk ook aan het morrelen aan kennis. Je zou graag een antwoord willen hebben op de vraag: waarover beschikt iemand die over kennis beschikt? En nu kom je echt bij een probleem waar de moderne wetenschapstheorie nog niet uit is. We weten wel hoe we op dit probleem zijn gekomen, niet hoe we het moeten oplossen. De wetenschapshistoricus en filosoof Kuhn heeft gezegd: wat een onderzoeker neerschrijft in een boek of artikel is maar een deel van zijn kennis. Daaronder ligt een laag impliciete kennis en vaardigheden ( die hij deelt met zijn collega's. Dat deel wordt niet geexpliciteerd, maar het is als je wilt begrijpen wat die man of vrouw aan het doen is. Zodra je die onderlaag in beeld wilt brengen kom je in de problemen. Hoe beschrijf je die vaardigheden? "Psychologen kiezen doorgaans voor cognitivistische modellen, ze gaan er van uit dat we een soort computerprogramma in ons hoofd hebben. Zij spreken over vaardigheden alsof het om handelen gaat dat door kennis wordt geleid _ alleen gaat het dan om nog niet gearticuleerde kennis. Wetenschapsonderzoekers zijn sceptisch over die aanpak, onder meer omdat die bij nadere beschouwing blijkt te berusten op het subject/object schema dat zij net achter zich hadden gelaten. Hoe het dan wel moet? Ik zou het graag weten. Het zijn problemen rond de aard en de representatie van kennis en bij de bestudering van kunstmatige intelligentie dringen die vragen zich opnieuw op.'

"Er is geen wetenschapsfilosoof die zal ontkennen dat wetenschapsmensen over kennis beschikken op basis waarvan succesvol gehandeld kan worden. De voorspellingen komen meestal redelijk uit. Maar de uitleg die traditioneel hieraan gegeven werd is ondeugdelijk. Wanneer we wetenschap willen analyseren, zullen we kennis in pragmatische termen moeten behandelen _ dat wil zeggen: als een specifiek soort activiteiten moeten bestuderen. Niet als representatie van een onafhankelijk van ons bestaande wereld, maar in termen van interventies in de natuur en in het handelen van andere mensen.

"Er gaapt dus een diepe kloof tussen het beeld dat de moderne wetenschapstheorie van de wetenschap geeft en het beeld van wetenschappers zelf. De meeste wetenschappers geloven nog in kennis die met zekerheid waar is. Dat contrast is niet verbazingwekkend, de common-sense beelden van onszelf wijken ook af van wat een psycholoog van ons denkt. Het is ook niet zo dat in de wetenschapstheorie de wetenschap als zinvolle onderneming nu ter discussie staat. Want wetenschap werkt: de bruggen storten meestal niet in en de geneesmiddelen werken vaak wel. Maar wetenschap werkt niet omdat de wetenschappers de wereld zoals die werkelijk buiten ons is, in kaart zouden hebben gebracht. Dat we tot een representatie kunnen komen van een wereld die onafhankelijk van ons bestaat _ dat idee is niet vol te houden. Wetenschap werkt omdat we systematisch kiezen voor hypothesen die werken en de andere verwerpen _ zo simpel is het misschien.'

"Ik geloof niet dat een onderzoeker die experimenteel werk doet en in problemen komt veel troost kan vinden in de wetenschapsfilosofie. Wel in de geschiedenis van zijn eigen wetenschap. Veel van de mensen aan het front van de wetenschap zijn verbluffend goed op de hoogte van de geschiedenis van hun vak. Je kunt er van leren hoe het zover gekomen is, welke wending de wetenschap heeft genomen en hoe je probleem is ontstaan. Wie het leerboek als de vanzelfsprekende wijsheid opvat, zal nooit ver komen.

"Van de wetenschapstheorie kun je wel leren dat het aantal mogelijkheden om een probleem aan te pakken altijd groter is dan je denkt. Het eclecticisme van wetenschappers is sterk: als het op de ene manier niet lukt, proberen ze een andere manier. Ze zijn bereid de halve wereld te reorganiseren om gelijk te krijgen.

"In zekere zin zijn we dus van de illusie beroofd dat er een instantie buiten ons is waaraan we ons kunnen optrekken. Vroeger was het Onze Lieve Heer, daarna de rationaliteit die boven de mensen zweefde. Dat is weggevallen. Aan de andere kant houdt dat ook een opdracht in, om het maar eens op zijn dominees te zeggen. Dat er niet zo'n instantie is, ontslaat ons niet van de verplichting verantwoording af te leggen van wat we doen, of van de verplichting interessante ideeen te ontwikkelen over wat we zouden kunnen doen.'

"De kritiek op het basisschema van de kennistheorie, de aantasting van het subject object grondschema, zal ook dramatische gevolgen hebben voor de ethiek. Dat grondschema is verweven met allerlei andere vertrouwde dichotomieen, zoals cultuur-natuur, geest-lichaam, norm-feit. Van Kant tot Sartre wordt ethiek gedefinieerd in subject-termen, maar op het moment dat je die scheiding van subject en object ter discussie stelt, sta je ook voor de vraag wat je met betrekking tot morele kwesties moet doen. Dat is nog zo'n vraag waarvan we wel weten hoe we eraan komen, maar nog niet hoe die opgelost moet worden. Op dit punt valt overigens een convergentie vast te stellen met ontwikkelingen die zich in andere tradities dan de wetenschapsfilosofie hebben voorgedaan, zoals de kritiek op het subject-begrip die in de moderne Franse filosofie is te vinden.

"Ethiek was lange tijd een wat suffige onderneming, met verschrompelende pretenties. Je kreeg ethici die niet meer zeiden hoe je moest handelen, maar die vertelden hoe je moet argumenteren over de hoe je moet handelen. Als je zo'n opeenstapeling van niveaus krijgt, weet je dat er iets mis is. Daarna is er een opleving gekomen, vooral in de toegepaste ethiek, bij medische kwesties. Toulmin heeft dat de redding van de ethiek genoemd, maar de fundering is nog steeds flinterdun.

"Er is nu een beweging in de ethiek die teruggrijpt op Aristoteles, dus op de tijd voor Kant, maar hoe dat afloopt is onzeker. Verder zie je ook hier een groeiende belangstelling voor de geschiedenis van de ethiek: hoe werden ethische problemen in het verleden opgelost. De middelen voor reflectie worden verruimd, er ontstaan nieuwe vormen van filosofisch onderzoek. Romanliteratuur wordt nu voor de bestudering van ethische problemen als bron bepleit. Het pragmatisme heeft ook hier zijn intrede gedaan. Er is niet meer een principe, er is ook hier een grotere openheid voor verschillende modellen voor reflectie en rechtvaardiging gekomen.'