Export als lichtpunt

De kwakkelende conjunctuur weerspiegelt zich in de prognoses van de ondernemers voor de komende maanden: een lichte stijging van de bedrijvigheid, een toename van de export, oplopende verkoopprijzen en een kleine daling van de werkgelegenheid. De blijkt uit de meest recente Conjunctuurtest van het Centraal Bureau van de Statistiek.

Deze prognoses volgen op een periode (november-december) waarin de bedrijvigheid en de orderontvangst in de industrie nauwelijks wijziging ondergingen en waarin de orderpositie gelijk bleef. Over de orderontvangst oordeelden de ondernemers (wederom) licht ongunstig en over de orderpositie bleven zij gematigd pessimistisch.

Wordt onderscheiden naar sectoren, dan blijkt dat de ondernemers in zowel de intermediaire goederenindustrie (onder meer halffabrikaten) als in de consumptiegoederenindustrie de komende maanden een stijging verwachten van de bedrijvigheid, de buitenlandse afzet en de verkoopprijzen. Daarentegen voorzien de ondernemers in de investeringsgoederenindustrie de komende tijd een verdere, lichte daling van de bedrijvigheid bij vrijwel gelijkblijvende buitenlandse afzet.

Per saldo tekent zich hier de export af als enige lichtpuntje in de Nederlandse economie. In de internationale context zijn er eveneens, zij het zwakke signalen, die dit bevestigen. Daar is in de eerste plaats het aarzelende herstel van de Amerikaanse economie, die volgens voorzitter Greenspan van het Amerikaanse stelsel van centrale banken nu definitief uit het dal kruipt, waarin ze meer dan anderhalf jaar - de langdurigste recessie sinds de jaren dertig - heeft gezeten. Hierbij past overigens wel de aantekening dat de prognose voor de economische groei die president Bush gisteren in zijn "troonrede' gaf, in feite achterblijft bij de voorspelling die de Oeso een maand geleden deed. De Oeso voorzag voor de Amerikaanse economie voor dit jaar een groeicijfer van 2,2 procent. Bush acht dat haalbaar, mits zijn gisteren gepresenteerde "stimuleringsmaatregelen' worden uitgevoerd. Zo niet, dan zal het herstel zich dit jaar beperken tot een groei van 1,6 procent.

In de tweede plaats, en voor Nederland zeker zo belangrijk, is de ontwikkeling in Duitsland van betekenis. Het rapport dat minister Möllemann (economische zaken) gisteren over de Duitse economie in 1992 presenteerde, gaat uit van een economische groei van 2 procent, wat overigens ook onder de Oeso-prognose (eveneens 2,2 procent) ligt. Nu het effect van de (consumptieve) inhaalvraag in Oost-Duitsland is afgelopen, zou de Duitse produktie zich weer sterker op de export richten, waarbij Möllemann voor dit jaar rekening houdt met een exportgroei van tussen de 3 en 4 procent. Daarvan zou de Nederlandse industrie, traditioneel een belangrijke toeleverancier van intermediaire goederen aan Duitsland, kunnen profiteren. Hoe realistisch Möllemanns export-verwachtingen zijn, zal onder andere afhangen van de actuele loonstrijd. Al te forse loonsverhogingen zullen de Duitse exporteurs schaden en hun investeringen (verder) onder druk zetten.

Nederlandse ondernemers in de industrie verwachten dat hun investeringen dit jaar, net als vorig jaar, met gemiddeld 3 procent zullen dalen (ten opzichte van het voorgaande jaar), zo blijkt uit de afgelopen najaar gehouden Investeringsenquête. Daarbij voorzien de ondernemers in de voedings- en genotmiddelenindustrie dit jaar een groei van de investeringen met 5 procent (1991: +16 procent), terwijl de ondernemers in de chemische industrie een daling van 8 procent verwachten (+13 procent) en de ondernemers in de metaalindustrie rekenen op een stijging van 1 procent (-16 procent). De grootste mutatie komt op het conto van de aardolie-industrie: vorig jaar een daling van 43 procent en dit jaar een (verwachte) stijging van 18 procent.