Econometrie; De mode beheerst het beeld

B.M.S. VAN PRAAG (1939) is hoogleraar wiskundige economie. Hij is lid van de Sociaal Economische Raad en van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Economie en wiskunde, die horen bij elkaar. Maar dan wel als vijanden die tot elkaar zijn veroordeeld. Voor de economie is de wiskunde niet alleen een noodzakelijk en zelfs prachtig hulpmiddel, maar ook een diepe valkuil waarin al te veel economen terecht zijn gekomen. "Het analyseren van wiskundige modellen is gemakkelijker dan het interpreteren van de economische werkelijkheid', schreef Arjo Klamer, een Nederlandse economie-hoogleraar in de VS, eens in deze krant. Waar zijn de grenzen van de economie, en waar begint de wiskunde pur sang?

Prof.dr. B.M.S. van Praag lijkt de man die bij uitstek geschikt is om die vraag te beantwoorden. Sinds jaar en dag wordt Van Praag geboeid door het meten van "nut' en door de gezondheidszorg. Hij was lid van de commissie-Dekker, die in 1987 rapporteerde over de "structuur en financiering van de gezondheidszorg'.

Jarenlang leek het of de economie, dankzij de wiskunde, meer "wetenschappelijk' was dan alfa-wetenschappen zoals de sociologie of de psychologie. Theorieën konden in wiskundige formules en modellen worden samengevat, relaties konden op basis van beschikbare macro-gegevens ogenschijnlijk nauwkeurig worden geschat. Maar in de jaren tachtig sloeg de twijfel weer toe. Zijn die wiskundige formules en modellen veel méér dan Spielerei, een "bezigheidstherapie voor academici' (zoals Klamer ooit schreef)? En is die vermeende nauwkeurigheid niet steevast gedateerd, omdat relaties tussen mensen niet stabiel zijn? Kortom: heeft de economische wetenschap haar grenzen bereikt?

Van Praag: "Een moeilijke vraag. In de bèta-wetenschappen zijn die grenzen duidelijk. Steeds duiken nieuwe problemen op, in de medische wetenschap nieuwe ziektes, in de natuurkunde nog kleinere deeltjes, en dan ga je op zoek naar oplossingen, naar het verleggen van de grenzen. In de andere wetenschappen zijn die grenzen erg vaag. De letterkunde is zeker een wetenschap, maar waar liggen daar de grenzen? Dat probleem heb je ook in de economie.

"Vaak stelt men dat de economie een bèta-wetenschap is. Er wordt weliswaar nogal wat wiskunde gebruikt, al die formules in de wetenschappelijke economische tijdschriften suggeren dat de economie een bèta-wetenschap is, maar dat is niet zo.'

Waarom niet?

"Het kenobject van de economie is het menselijk gedrag. Dat wordt beïnvloed door een groot aantal variabelen, veel meer dan in de natuurkunde nodig is. Daarbij komt dat het toeval, de stochastische component, in de economie van groot gewicht is. Bovendien zijn de reactiepatronen vaak heel ingewikkeld, zo van: als meneer A dit doet, doet meneer B dat, of juist niet. Het is als in een dobbelspel waarin men de tegenpartij zoveel mogelijk in onzekerheid laat. De moderne speltheorie heeft daarom de laatste tijd nogal wat impact, men probeert dan de reacties van bijvoorbeeld vakbonden op het gedrag van andere partijen na te spelen. Dit alles maakt het doen van voorspellingen in de economie heel moeilijk.'

U zegt: in de natuurkunde worden de deeltjes steeds kleiner, de grenzen verschuiven. Er is wetenschappelijke vooruitgang. De grenzen in de economie zijn echter veel minder duidelijk. Ontbreekt daar dus ook de wetenschappelijke vooruitgang?

"Ja. Het grote probleem is dat er aan de lopende band nieuwe economische theorieën worden geformuleerd. Helaas is een groot deel van de economische theorieën niet toetsbaar aan de werkelijkheid. De theorie van het algemeen evenwicht bijvoorbeeld. Je kunt de prijsvorming van duizenden variëteiten van goederen in abstracte, wiskundige termen weergeven. Je krijgt dan ook duidelijke resultaten. Maar de veronderstellingen waarop zo'n theorie berust zijn nauwelijks te controleren. Die duizenden prijzen zijn in de praktijk niet waar te nemen. Bovendien is het proces in de praktijk dynamisch, het evenwicht krijgt de tijd niet om tot stand te komen.

"Daarnaast heb je de down to earth-theorieën, waarmee je vooral de naam van Tinbergen moet associëren. Die zijn wel toetsbaar. Maar àls je ze dan toetst aan de feiten blijkt keer op keer dat je ze moet verwerpen.'

Als dit de stand van zaken in de economie is, dan is dat toch tragisch?

"Dat is ook zo. Maar een heleboel geleerden in de negentiende eeuw waren helemaal niet tragisch gestemd. Toen heerste het Fortschritts-geloof, dat duurde tot ver in deze eeuw. Dankzij de computer werden de modellen steeds groter, door desaggregatie kreeg je modellen met meer dan duizend vergelijkingen. Maar het resultaat werd er niet beter door, wel ondoorzichtiger. Pas vrij recent verstommen de positieve geluiden. Inmiddels zijn de pretenties een stuk lager.'

Hij laat me het rapport zien van een commissie die voor de American Economic Association onderzocht of de economie-opleiding aan de Amerikaanse universiteiten aan de verwachtingen en de eisen voldoet. Het werd in september jongstleden in de Journal of Economic Literature gepubliceerd. In feite gaat het om een uitgebreidere versie van een eerder onderzoek van Klamer en Colander.

Van Praag: "Voor een goed begrip: de Amerikaanse economie-opleiding is je van hèt, het voorbeeld voor de rest van de wereld. Maar zo'n commissie concludeert wèl dat de economie-opleiding veel mensen levert die bij het bedrijfsleven en de overheid niet bruikbaar zijn. Er is een te grote nadruk op wiskunde en methoden.'

Zijlstra stelde onlangs dat de economie geen speelgoed is, met een motortje dat je sneller en langzamer kunt laten lopen, maar een plant die je moet koesteren. Daarom wees hij de theorieën van Keynes van de hand.

Van Praag: "Dat is nu het probleem ten voeten uit. In de jaren vijftig dachten velen dat Keynes de theorie en de apparatuur had geleverd om een crisis als in de jaren dertig te voorkomen. Men dacht dat de economie een machine was, maar dat bleek in de jaren zeventig een illusie. Je ziet nu een sterke terugval op schrijvers die vroeger als uitermate rechts werden versleten, of niet bij de tijd. Hayek, Friedman, Schumpeter. Het belangrijkste werk van deze economen is helemaal niet wiskundig georiënteerd. Maar ze blinken wel uit in ideeën, verbaal geformuleerd. Die ideeën kunnen ook niet in wiskunde worden geformuleerd. Dan moet je je beperken tot precieze formuleringen, dat is al een hele opgave.

"De mode beheerst natuurlijk het beeld, zeker voor de media. Maar als Hayek zijn werk nu had geschreven, zou hij het dan überhaupt in de wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd hebben gekregen? Zoals hij het toen formuleerde? Er is een enorm filter aangebracht in de literatuur. Een zeker abstractieniveau is bij een goed stuk nodig. Maar nu worden hele strenge eisen gesteld, als je je verhaal niet wiskundig weergeeft kom je er niet in. Op die manier krijg je een verstarring van de wetenschap.'

Anderzijds: als je een betoogt niet formeel en liefst wiskundig kunt formuleren, ontaardt het al gauw in blabla. Willem Buiter, een andere Nederlandse econoom in de VS, omschreef wiskunde en formele logica eens als "de beste hulpmiddelen om te voorkomen dat er inconsistent en vrijblijvend wordt gezeverd.'

"Dat is waar. Maar het is voor de redactie van een wetenschappelijk tijdschrift veel gemakkelijker om wiskundige formuleringen te controleren dan gedurfde ideeën voor hun verantwoording te nemen.'

Dit alles is toch tamelijk verontrustend. Eric Roll schreef twintig jaar geleden dat de economische wetenschap na de euforie van de jaren vijftig en zestig in een "age of doubt' verkeerde. Die twijfel duurt blijkbaar voort?

"Zeker. Het is veel gemakkelijker om te praten over een vak waar je trots kunt zijn op de bereikte resultaten. Dat kun je bij de economie niet zijn. Als wetenschapper streef je naar het formuleren van algemene wetten, maar dat blijkt in de economie heel moeilijk.'

Gelukkig is er volgens Van Praag ook een andere kant van de medaille. Want de economie is ook een "leuk, boeiend, spannend, fascinerend vak met een minitieuze voortgang in kleine stapjes'. Met af en toe toch een "doorbraak'. Hij noemt er twee. Van Praag: "In de pionierstijd van Tinbergen moest men zich noodgedwongen beperkingen opleggen. Simpele vergelijkingen die je met pen en papier kon oplossen, daar ging het om. Nu kun je de oplossing uit de computer halen, ook al is er geen mooie wiskundige functie bekend. Zo kun je veilingen simuleren. Je stopt dan de regels van de veiling en het gedrag van de handelaren in de computer, en dan kun je bijvoorbeeld berekenen wat het effect is van andere veilingregels.

"De tweede doorbraak is aan het komen. Dat is de experimentele economie. Neem opnieuw het voorbeeld van de veiling. Nu speel je het gedrag van de handelaren niet na, maar je zet de mensen in een laboratorium-situatie en je gaat wat veilen. Dit gaat in de richting van de psychologie. Zulke dingen doet men daar ook, net als in de marketing.'

Maar dat is wel typisch micro-economie. Macro-economisch zijn zulke experimenten toch onmogelijk?

"Ik ben niet zo'n kenner, maar mijns inziens zit de macro-economie in het slop. Er komen steeds nieuwe theorieën, maar heb je er wat aan voor het beleid? Verbeter je er de wereld mee? Nee.'

Is dat het criterium, de bruikbaarheid voor een betere wereld?

"Een interessante vraag. Wat is het doel? Wil je de welvaartsmaatschappij verbeteren, of wat er gebeurt in de bedrijven? Er is nu binnen de economie een hoop l'art pour l'art. Maar uiteindelijk gaat het toch om het oplossen van economisch-maatschappelijke problemen.

"Je kunt de vraag ook specificeren. Bijvoorbeeld: hoe zou de Nederlandse economie er voor staan als de modellen van het Centraal Planbureau van de afgelopen decennia er niet waren geweest? Je kunt niet bewijzen dat we het dan slechter zouden hebben. Persoonlijk heb ik de indruk dat, ook al konden de pretenties van de jaren zeventig niet worden waargemaakt, het CPB toch duidelijke goede hulpinstrumenten heeft geleverd om te begrijpen wat er gebeurde.'

Kunt u een voorbeeld geven?

"We hebben nu een beter zicht op het loonbeleid, op het positieve effect dat lagere lonen hebben op de werkgelegenheid.'

Loonmatiging maakt arbeid goedkoper dus neemt de vraag naar arbeid toe. Daarvoor heb je toch geen Planbureau-model nodig?

"Nee. Maar als iemand als Friedman zegt: zorg dat de arbeidsinkomensquote niet te hoog wordt, dan wordt dat door velen beschouwd als niet serieus te nemen taal.'

Dus door de wiskunde van het CPB krijgt zo'n stelling wèl status?

"Ik geef een ander voorbeeld. Een aantal jaren terug werd inflatie tot op zekere hoogte helemaal niet als een kwaad beschouwd. Als de prijzen in beperkte mate stegen was dat een teken dat de vraag aantrok en dat was goed. Een beetje geldontwaarding werd beschouwd als olie die zorgde dat de machine van de economie kon blijven doordraaien. Die stelling is nu met geloofwaardige modellen duidelijk ontzenuwd.'

U spreekt nu van geloofwaardige Planbureau-modellen. Maar zijn die modellen niet veeleer indrukwekkend dan geloofwaardig?

"Tja.... Ik denk dat je toch wel van geloofwaardige modellen kunt spreken. Dat denk ik wel, ja. Maar ik ben het met je eens dat je voor een goed inzicht vaak geen model nodig hebt. In de discussies over de Nederlandse economie heb ik enkele platte ideeën gelanceerd die redelijke mensen aanspreken. Maar dan zegt men: je hebt het niet doorgerekend, dus je hebt het niet bewezen. Dat vind ik verkeerd.'

Platte ideeën? Geeft u eens een paar voorbeelden?

"O, wel, in de eerste plaats denk ik dan aan de arbeidstijdverkorting waarover ik me zo druk heb gemaakt. Ik betoogde dat je met korter werken niet het economische probleem van de werkloosheid oplost. Een heleboel mensen zeiden toen: hoe weet je dat nou? Ik zei: simpel door wat nadenken. Inmiddels is men door schade en schande wijs geworden.

"De milieuheffingen vormen een nog actueler voorbeeld. Men wil energie duurder maken en met de opbrengst arbeid goedkoper. Dat werkt niet, ik heb dat in uw krant uitgelegd. Maar moet je dan eerst het bewijs afwachten om gelijk te krijgen?

"Een derde voorbeeld is de EMU, de Economische en Monetaire Unie. Daar is een heleboel gedoe omheen, maar over het nut van de EMU kan de economie best iets zeggen, dat is in wezen heel simpel. Daar heb je helemaal geen complex model voor nodig.'

Als wiskundig econoom wordt u sinds jaar en dag door de psychologie geboeid. Nu wordt economisch gedrag nog bijna uitsluitend met de maatstaf geld gemeten, en dat vindt u fout. Neem bijvoorbeeld de vraag: wanneer is er sprake van armoede? Waar ligt de armoedelijn?

"Economen kijken meestal naar gebruikspatronen, ontleend aan huishoudbudget-enquêtes, en leiden daaruit af of iemand beneden de armoedegrens valt. Maar armoede is een gevoel, een attitude. Dan moet je als econoom dus direct met psychologische en ook met sociologische factoren rekening houden.'

In opdracht van Eurostat, het statistisch bureau van de EG, werkt Van Praag aan een armoede-definitie die mede op basis van subjectieve meetmethoden berust. Dat onderzoek komt direct voort uit wat hij zijn "hobby' noemt. Die "hobby' is het meten van het nut dat iemand ontleend aan zijn of haar inkomen, of aan bepaalde goederen. Het meten van nut is volgens veel economen principieel onmogelijk, maar volgens Van Praag is het mogelijk die "grens van de wetenschap' te verschuiven. Sinds hij zijn proefschrift over "Individuele welvaartsfuncties en consumentengedrag' in 1968 publiceerde heeft hij zich er voortdurend mee beziggehouden.

Via enquêtes vroeg hij welk inkomen men goed of slecht vond, en ging hij na welke factoren de verschillen tussen mensen kunnen verklaren. Dat leverde interessante resultaten op. Mensen met een hoger inkomen stellen hogere eisen aan hun inkomen dan mensen die minder verdienen. Een inkomensstijging valt dan ook voor de betrokkene altijd tegen. Van Praag berekende dat als iemand er netto tienduizend gulden op vooruitgaat, hij die stijging achteraf als een groei van slechts zevenduizend gulden ervaart. Hij versierde dit verschijnsel met de term "preference drift'.

Interessant was ook dat tweeverdieners die ieder netto dertigduizend gulden verdienen hun beider inkomen hoger waarderen dan een kostwinner die netto zestigduizend gulden verdient. Waarom?

Van Praag: "In het eerste huishouden vergelijkt men zich met andere inkomenstrekkers rond de dertigduizend gulden, in het tweede bedraagt de referentieklasse zestigduizend gulden.'

Of neem de gemiddelde WAO-er. Die waardeert zijn netto-uitkering lager dan een werknemer met een netto-loon dat even hoog is. Omdat hij, zegt Van Praag, toen hij werkte een hoger inkomen had, en bovendien het nut van inkomen dat een werkende wèl heeft moet ontberen.

Een andere "hobby' van Van Praag - hij was onder meer lid van de commissie-Dekker - is de gezondheidszorg. "Het moet steeds beter, maar een goede meetdefinitie van wat gezondheid nu eigenlijk is, die is er niet,' stelt hij. Toch is zo'n definitie van groot belang om het gedrag van consumenten te verklaren. Bijvoorbeeld: als je de gezondheidszorg in een volksverzekering stopt, hoe reageert dan de patiënt? Wat gebeurt er als een arts niet meer per dag maar per verrichting wordt betaald? Maar hier doemt een grens op van een geheel andere orde: het gebrek aan data.

Van Praag: "Er zijn in Nederland wel veel gegevens maar die zijn geheim. Men zegt om de privacy van de patiënt te beschermen, maar het gaat natuurlijk om de privacy van de dokter. Het gebrek aan data is trouwens een algemeen probleem: de meeste databestanden in Nederland zijn in handen van het CBS en het gebruik daarvan is peperduur. Hartog en Cramer hebben dat fenomeen weliswaar aan de kaak gesteld, maar we zijn nu een paar jaar verder en van een serieuze vooruitgang is geen sprake. Helaas.'