Door isolering kan verzorgingsstaat niet behouden worden

De commissie-Wolfson wilde een "houdbaar program' en heeft Nederland daarmee op een eiland geplaatst

De zeven rijkste landen van de wereld (de G-7) hadden het afgelopen weekeinde goed nieuws: er zijn goede perspectieven voor economische groei. Maar, zo voegden zij er onmiddellijk aan toe, die landen moeten thuis orde op zaken stellen om van de kansen te kunnen profiteren.

Het is in dit verband positief dat de PvdA-commissie-Wolfson die een sociaal-democratische visie op de toekomst van de verzorgingsstaat moest ontwikkelen, zich primair heeft gericht op de maatregelen die in eigen land moeten worden genomen om de arbeidsparticipatie te vergroten. Een bijna vergeten opdracht wordt terecht weer hoog op de agenda geplaatst, al kan de vraag worden gesteld of de oplossing niet te veel wordt gezocht in het verdelen van bestaande arbeid en te weinig wordt gelet op het scheppen van werk.

Mijn waardering voor de aanpak van de commissie-Wolfson wordt in belangrijke mate getemperd door het vrijwel geheel ontbreken van de internationale context waarin de Nederlande verzorgingsstaat moet overleven. De Top van Maastricht ligt nauwelijks een maand achter ons, het magische jaar 1992 is begonnen, maar Europa speelt in het rapport geen rol van betekenis.

De commissie-Wolfson wil een "houdbaar program' ontwikkelen en plaatst Nederland op een eiland. De Nederlandse verzorgingsstaat is echter niet te behouden door haar te isoleren en een discussie over de verzorgingsstaat buiten de internationale context is een zinloze zaak.

De Interne Markt van de Europese Gemeenschap behoort op 1 januari 1993 gerealiseerd te zijn. Vele besluiten zijn daartoe al genomen en functioneren vaak al - met als kern vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, lees: werknemers. Het is een illusie te geloven dat een houdbare visie op een Nederlands arbeidsmarktbeleid kan worden geformuleerd zonder met deze factoren rekening te houden. In zo'n visie zou ook aandacht moeten worden geschonken aan een Europees arbeidsmarktbeleid als begeleiding van de Europese interne markt. Die markt biedt zeker kansen en is dan ook een uitdaging voor nationale werkgevers, werknemers en politici, maar levert niet zonder meer rozegeur en maneschijn. Het verdwijnen van de grenzen zal betekenen dat de concurrentie harder wordt en daaraan zullen niet alleen bedrijven een bijdrage leveren, maar ook overheden.

Het rapport-Wolfson laat zich niet uit over de wijze waarop het Nederlandse bedrijfsleven en daarmee de werknemers in die slag overeind blijven: evenmin levert het een antwoord op de vraag hoe en of de overheid daarbij actief moet zijn. Ik koester geen overspannen verwachtingen over de mogelijkheden van de overheid, maar het is nog verder van mij te geloven dat een geliberaliseerde Interne Markt op zich alle problemen zal wegnemen, laat staan op een rechtvaardige wijze zal oplossen. Zelfs Paolo Cecchini die voor de Europese Commissie een verslag schreef over "de kosten van een niet verenigd Europa' en daarin een optimistische kijk heeft gegeven op de voordelen van de Interne Markt, ontkwam niet aan enkele ernstige waarschuwingen. In dat rapport wordt voorspeld dat hoewel na een fase van fusies, bedrijfshervormingen, rationalisaties en bedrijfssluitingen uiteindelijk een duurzame groei zal intreden, de werkloosheid in de beginperiode van de Interne Markt zal stijgen. Dat betekent dat een strategie moet worden ontwikkeld die de negatieve effecten van deze eerste periode beperkt, het Europese arbeidspotentieel door deze fase loodst en op de nieuwste eisen van de Interne Markt voorbereidt.

Zo'n strategie moet de groeiende flexibiliteit van de markt verzoenen met de behoefte aan sociale bescherming aan de kant van actieven en niet-actieven. De commissie-Wolfson kiest als basis voor een strategie tot behoud van de Verzorgingsstaat het sympathieke ideaal "emancipatie in solidariteit', maar verzuimt jammer genoeg te kijken naar de marges die er voor zo'n strategie nationaal nog zijn. Zou dat wel zijn gedaan, dan zou al snel in het oog zijn gesprongen dat naast de verscherpte concurrentie van bedrijven en overheden op de grenzenloze markt, vooral het verdrag voor de Economische en Monetaire Unie dat Wim Kok zo bekwaam door de Europese Ministerraad heeft geloodst, een directe aanval doet op de beleidsruimte van nationale overheden. In dat verdrag worden namelijk zeer strenge voorwaarden geformuleerd ten aanzien van inflatie, rente en overheidstekort.

Minister Kok heeft - volgens een bericht in NRC Handelsblad van 29 oktober 1991 - geruststellend meegedeeld dat "de criteria precies zijn geformuleerd, maar beleidsmatig en niet mechanisch, niet statistisch, zullen worden gehanteerd'. Dit neemt echter niet weg dat de Nederlandse overheid zelfs bij een optimistisch groeiscenario vele miljarden zal moeten bezuinigen om nog deze eeuw aan de criteria van het EMU-verdrag te kunnen voldoen. Frankrijk, dat nu als enige aan de criteria lijkt te voldoen, betaalt daarvoor met trage groei, hoge reële rente en toenemende werkloosheid.

Alle reden dus om deze "externe' factoren mee te nemen in een visie op de toekomst op de verzorgingsstaat. Europese afspraken hebben dus de ruimte van nationale overheden voor onderlinge beleidsconcurrentie sterkt beperkt. Naast de maatregelen die Wolfson c.s. voorstellen, resten in hoofdzaak nog infra-structurele maatregelen, onderwijs en scholing en ten slotte de sociale zekerheid.

De vrees dat sociaal beleid de sluitpost zal zijn van het Europese beleid is niet ongegrond nu zowel de Interne Markt als de Economische Monetaire Unie worden opgebouwd volgens hetzelfde patroon: strenge communautaire regelgeving op economisch-monetair terrein en vrijheid - blijheid als het sociaal beleid betreft. Terwijl enerzijds belastingen en economische systemen onder strenge regels aan elkaar worden aangepast, mag de sociale zekerheid op de vrije markt verhandeld worden. Dit kan alleen worden voorkomen door ook over de sociale politiek afspraken te maken op Europees niveau.

Nu het Verenigd Koninkrijk in Maastricht gekozen heeft voor de vluchtstrook, lijkt het mogelijk dat de overige lidstaten snel een raamwerk van minimaal noodzakelijke sociale regelgeving tot stand brengen, maar al te optimistisch mogen we niet zijn. De nieuwe verdragen moeten nog geratificeerd worden, dat kan wel een jaar duren en de juridische consequenties van de besluiten die de regeringsleiders in Maastricht namen, zijn nog onduidelijk. Het zal tijd kosten om zo'n raamwerk te construeren. Toch moet er snel aan gewerkt worden.

Willen we voorkomen dat bedrijven, profiterend van de schamele sociale voorzieningen in enkele lidstaten onze werkgelegenheid onder te grote druk zetten, dan zal er bij de officiële inwerkingtreding van de Interne Markt onder meer Europese wetgeving nodig zijn. Het is door de beslotenheid van de vergaderingen van de Europese Ministerraden niet zo opgevallen, maar Nederland heeft bij dat proces in het verleden geen inspirerende rol gespeeld. Er zijn dwingende redenen voor de Partij van de Arbeid, maar ook voor andere partijen om daar snel een eind aan te maken. Als je de Nederlandse verzorgingsstaat wilt beschermen, dan doe je dat niet door er met je rug naar toe te gaan staan, maar door je er actief mee te bemoeien. Onder andere door ervoor te zorgen dat ook andere landen een serieuze poging doen om de principes van de verzorgingsstaat overeind te houden. Dat hoeft niet op dezelfde wijze te gebeuren, maar kan wel aan normen worden gebonden. Als andere landen uitverkoop houden, komt ook ons systeem onder druk te staan.

Het rapport van de Commissie-Wolfson is een goed en noodzakelijk begin, maar ook niet meer dan dat. De bijna voltooide Interne Markt, de afspraken binnen de EMU, demografische ontwikkelingen en de veranderde situatie in Midden- en Oost-Europa vragen om een snel en beter vervolg op deze eerste proeve. De Partij van de Arbeid vestigt in haar programma's de indruk een internationaal georiënteerde partij te zijn.

Het rapport-Wolfson bevestigt dat beeld niet. Solidariteit is geen verouderd principe en de verzorgingsstaat blijft het beschermen waard, maar oplossingen van louter nationaal karakter zijn daarvoor onvoldoende.