Demografie; Immigratie als oplossing van onze problemen

D.J. VAN DE KAA (1933) is hoogleraar Demografie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij bekleedt aan de Rijksuniversiteit Leiden de Cleveringa-leerstoel en is directeur van het Institute for Advanced Study in the Humanities

Van de Kaa is net terug van een studiereis naar Australie en Nieuw-Zeeland, waar hij onderzoek deed naar het systeem dat beide landen hanteren om de stroom immigranten te reguleren. Volgens Van de Kaa moet Europa ook een ”administratieve machinerie' in de vorm van een punten- of quotasysteem inrichten om greep te houden op de stroom immigranten, die volgens hem te negatief en met teveel angst benaderd wordt.

Van de Kaa ontdekte samen met zijn Belgische collega Lesthaeghe dat Europa demografisch in een nieuwe fase beland is. Zij verrijkten de demografie daarop met het begrip ” demografische transitie'. Kenmerkend voor deze fase, waarin Europa als eerste terecht gekomen is, is de lage vruchtbaarheid het vervangingsniveau.

Voor een stationaire bevolking is een vervangingsniveau nodig van 2,1 kind per vrouw oftewel netto een meisje per vrouw. Nagenoeg alle Europese landen zitten al flink onder dat niveau. Nederland zat in 1985 op 1,50, in 1990 op 1,62. Net als in andere landen in West-Europa is de vruchtbaarheid in Nederland weer iets gestegen. Oorzaak: vrouwen die alsnog besluiten om een kind te krijgen voordat het niet meer kan.

Van de Kaa verwacht niet dat de vruchtbaarheid nog verder zal dalen, maar evenmin dat deze weer op het vervangingsniveau terug zal komen. De Europese bevolking zal dus afnemen.

Voor demografen kwam de tweede demografische transitie als een volslagen verrassing.

Van de Kaa: ”De eerste demografische transitie had ons van een evenwicht tussen geboorte- en sterftecijfers op een hoog niveau naar een nieuw evenwicht tussen beide op een laag niveau gebracht. De filosofische netheid van het idee om van het ene naar het andere evenwicht te gaan sprak demografen zodanig aan dat ze uitgingen van het idee dat mensen precies evenveel kinderen zouden krijgen als nodig was om de eigen bevolking op peil te houden. Achteraf bezien is dat natuurlijk stupide, maar niet helemaal onbegrijpelijk. Zoiets was nog niet voorgekomen.'

Van de Kaa ziet die lage vruchtbaarheid als een blijvende verandering, al kampen demografen _ net als andere sociale wetenschappers _ met de onvoorspelbaarheid van het menselijk gedrag: ”De oorzaak van die lage vruchtbaarheid ligt in een diepgeworteld complex van veranderde waarden en normen waarin individuele autonomie centraal staat. Het is niet aannemelijk dat mensen die verworven autonomie weer zullen afstaan, dat de relaties tussen mannen en vrouwen weer ongelijker worden of dat mensen afstand doen van effectieve anticonceptie. Al weet je dat natuurlijk nooit helemaal zeker. Mensen zouden bijvoorbeeld genoeg kunnen krijgen van een leven met maar een of twee kinderen. Of misschien groeien de weerstanden wel tegen sterilisatie, abortus en de pil, als het ongezond zou zijn om die je hele leven te slikken.

”Het is de vraag wat Europa moet doen in deze situatie. Demografisch gezien marginaliseert Europa. Het aandeel in de wereldbevolking bedroeg in 1950 nog bijna 25 procent; over een kwart eeuw nog maar 11 procent, Oost-Europa en de Sovjet-Unie meegerekend. Het aandeel 15 tot 24-jarigen, de innovators, daalt van 11,8 procent in 1965 naar 4,8 procent in 2015. Sommige mensen vervult dat met angst. Zij zien een in de versukkeling rakend Europa voor zich, waar oude mensen in oude huisjes omringd met oude meubeltjes oude ideeen zitten te herkauwen. Ze zijn bang dat veel mensen van elders hierheen zullen komen als onze bevolking niet meer groeit.

”De vergrijzing zal zeker toenemen en sterker zijn naarmate de vruchtbaarheid lager is en de levensverwachting nog verder stijgt. De sociale en economische gevolgen zullen ingrijpend zijn: het arbeidsaanbod zal afnemen, het demografisch draagvlak zal verminderen, er zullen extra uitgaven nodig zijn.'

Kan Europa zijn demografische problemen niet oplossen door mensen van buiten hierheen te laten komen?

”In demografisch opzicht kunnen immigranten nooit een substituut zijn voor geboorten. Je moet er erg veel toelaten om de daling van de vruchtbaarheid te compenseren en de vergrijzing kun je er slechts tijdelijk mee verkleinen, want ook immigranten worden oud. Het meeste effect heb je als je een constante stroom toelaat. Maar daarvoor moet Europa zich verzoenen met een rol als immigratieland. Aan die rol moet Europa nog erg wennen, omdat het altijd een geweest is. Europa moet nodig een immigratiebeleid ontwikkelen, vooral ten opzichte van Oost-Europa en Noord-Afrika. Er wordt nog veel te weinig systematisch over nagedacht en veel te defensief in de zin van: verminder de instroom, doe alles om mensen buiten te houden, laat alleen mensen toe die we echt niet kunnen weigeren zoals politieke vluchtelingen. Dat is niet vol te houden. Mensen komen alleen op de titel die daarvoor open staat. Als ze alleen als asielzoeker kunnen komen, zullen ze dat doen. ”Je kunt ook kijken hoe de eigen samenleving het meest kan profiteren van de instroom, welke bijdrage immigranten kunnen leveren aan de ontwikkeling van een land. Daarvoor was ik in Australie en Nieuw-Zeeland, landen die wel een constante stroom binnenlaten en daarvoor een punten- en quotasysteem ontwikkeld hebben. Als je jong bent, een bepaalde opleiding hebt of een bepaald beroep, krijg je veel punten en kun je via de formele kanalen toegelaten worden. Huidskleur speelt geen rol. De grootste groep immigranten bestaat uit Hongkong-Chinezen. Immigranten kunnen hun komst alleen in het land van herkomst regelen, dus niet in Australie zelf. Met dit systeem kun je vraag en aanbod bij elkaar brengen. Immigratie moet je zien als een lange-termijninvestering.'

Volgens Van de Kaa moet Europa ook naar zo'n systeem toe. Niet zozeer het aanbod, maar de vraag bepaalt dan de instroom. Bang dat Europa zal worden overstroomd door miljoenen immigranten is hij niet. Hij gaat er wel vanuit dat economische hulp, associatieverdragen en komsten de migratiegeneigdheid van Oosteuropeanen sterk zullen verminderen en dat er ook afspraken over migratie gemaakt zullen worden. De landen in Oost-Europa hebben er immers belang bij hun geschoolde werknemers niet te verliezen (al is een onvermijdelijk). West-Europa is beducht voor een al te grote instroom. Beide hebben dus belang bij beheersing van de migratie. Migratie is voor demografen een van de drie factoren die de bevolkingsontwikkeling bepalen. De andere twee zijn geboorte en sterfte. Demografen proberen bevolkingsontwikkelingen te verklaren en van daar uit voorspellingen te doen. Een steeds terugkerende, nog altijd onbeantwoorde vraag is die naar de biologische limiet van het leven van de mens. Hoe oud kan hij eigenlijk worden? Demografen gaan uit van een gemiddelde levensverwachting bij de geboorte. Die combineren ze met afstervingscurves en dan kunnen ze voorspellen hoeveel mensen van een bepaalde leeftijd er op een bepaald moment zullen zijn.

Van de Kaa: ”De gemiddelde levensverwachting stijgt almaar. Hij komt steeds dichter bij de biologische limiet te liggen. Maar waar die precies ligt weten we niet. In 1952 schatte Bourgeois-Pichat de maximale gemiddelde levensverwachting bij de geboorte op 76,3 jaar voor mannen en 78,2 jaar voor vrouwen. Hij ging uit van endogene sterfte (fabricagefouten waar de mens niets aan kan doen) en exogene sterfte zoals infecties, waar wel wat aan gedaan kan worden. In 1978 kwam hij uit op 73,8 en 80,3 voor respectievelijk mannen en vrouwen. Hij wilde het plafond aangeven en ging uit van de beste omstandigheden. Latere demografen kwamen op 83 tot 85 jaar uit voor vrouwen en 6 tot 8 jaar minder voor mannen. Korenchevsky vermoedt dat de biologische limiet op 115 jaar ligt. Duchene en Wunsch maakten in 1986 een berekening die ervan uitging dat per miljoen mensen een persoon 115 zou worden. Terugredenerend op basis van afstervingscurves kwamen zij uit op 91 jaar als maximale delde leeftijd bij overlijden. Maar of we dat in werkelijkheid ooit halen is de vraag. Ook is het de vraag of die limiet van 115 jaar nog verlegd kan worden door toepassing van hormonen op mensen van middelbare leeftijd, waarmee men in Amerika experimenteert, of door genetische manipulatie.'

”Waardoor het grote verschil tussen mannen en vrouwen veroorzaakt wordt, weten we ook niet. Misschien een kwestie van endogene factoren als hormo nale opbouw of van exogene. Mannen hebben het moeilijker na scheidingen en het overlijden van hun partner, ze kunnen minder goed voor zichzelf zorgen. De verschillen worden iets kleiner. Mogelijk doordat de levensstijl van vrouwen meer op die van mannen gaat lijken. Hun deelname aan het arbeidsproces stijgt en ze roken meer.'

”Een andere vraag waar demografen al lang mee worstelen is die naar de capacity van de aarde. Het onderwerp is steeds hetzelfde gebleven maar de richting van de vraagstelling is telkens veranderd omdat zienswijzen ontoereikend bleken. In de zestiende eeuw had Giovanni Botero, een jezuiet nota bene, het al over de generativa, het vermogen van de mens om zich voort te planten, en de nutritiva, het vermogen om voedsel te produceren. Die twee groeiden volgens hem met ongelijke snelheid en dat zou volgens hem een keer moeten mislopen. In 1798 formuleerde de Engelse dominee-econoom Thomas Malthus zijn principe dat de groei van de bevolking beperkt werd door de beschikbaarheid van voedsel omdat de bevolking groeit volgens een meetkundige reeks (1, 2, 4, 8 enz.) en de voedselproduktie volgens een rekenkundige reeks (1, 2, 3, 4 enz.). Botero, Malthus en in onze tijd mensen als Huxley en Ehrlich zijn exponenten van een apocalyptische benadering van de capacity. Zij voorzien een catastrofe _ honger, ondeugd en ellende _ omdat er te weinig voedsel zal zijn.

”Als reactie daarop is er een benadering ontstaan die uitgaat van een sterk geloof in vooruitgang, geleidelijkheid, harmonie en in de positieve kracht die er van mensen en bevolkingsgroei uitgaat. Bevolkingsdruk leidt volgens hen tot technologische doorbraken en uiteindelijk ontwikkelt zich iets goeds. Roger Revelle, Esther Boserup, Julian Simon en Colin Clark passen in deze benaderingswijze. Zij hebben uitgerekend hoeveel mensen de aarde zou kunnen voeden. Revelle kwam, uitgaande van minimale hoeveelheden calorieen, technologische vooruitgang en hoge Groene Revolutie-opbrengsten tot 40 a 50 miljard. Colin Clark ging uit van 2000 vierkante meter benodigde landbouwgrond per persoon en kwam op 47 miljard uit en op basis van Japanse standaarden (680 vierkante meter per persoon) zou de aarde zelfs 157 miljard mensen kunnen voeden.

”Daar kwam als reactie op dat het niet alleen om voedsel gaat, dat je de aarde daarvoor niet mag opofferen en dat niet alleen de mens telt. Onder andere door de Club van Rome verbreedde de discussie zich van voedsel naar het milieu als beperkende factor. De vraag hoeveel mensen er op de aarde zouden kunnen leven, de vraag naar de bevolking, werd irrelevant; het ging meer om de vraag hoeveel mensen onder welke omstandigheden kunnen en willen leven, de bevolking.

”Demografen hebben allang uitgerekend hoeveel mensen er zullen komen en aangetoond dat er een grote mate van zekerheid in zit. Het is evident dat de eerste demografische transitie zich op wereldschaal heeft voortgezet en dat we 10 tot 11 miljard mensen moeten verwachten. De grootste procentuele groei hebben we in '65-'70 gehad. De grootste numerieke groei komt nog met een miljard mensen per decennium. Demografen maken er zich niet echt zorgen over of we die kunnen huisvesten en voeden.'

Van welk beslag op het milieu per inwoner gaan zij uit? Kan de aarde 11 miljard mensen hebben die het milieu even zwaar belasten als pakweg de gemiddelde Nederlander? Gaat dat aantal de carrying capacity van de aarde niet te boven?

Van de Kaa: ”Het is evident dat voedsel, mits goed verdeeld, geen probleem is. Met een groei naar 11 miljard in korte tijd hoeft het aantal calorieen geen probleem te zijn. De vraag hoeveel mensen er op aarde kunnen leven als ze het allemaal even goed zouden krijgen als wij, wat in principe toch beoogd wordt, is nog niet beantwoord. We weten dus niet of we de capacity zullen bereiken. We hebben hem in ieder geval nog niet bereikt, want we bestaan nog. Maar worden de ecosystemen niet te veel verstoord? Wat is de kwaliteit van het leven? In welke mate zal de aarde verwoest zijn? Welke onomkeerbare processen zullen er op gang komen? Ik ben er niet zeker van dat de aarde het aankan. ”Daarom ben ik voor het onder controle brengen van de wereldbevolking in de richting van een optimale bevolking. Meer geld voor planning om reserves op te bouwen. Veel ecosystemen hebben een bepaalde buffercapaciteit; als grenswaarden overschreden worden kan een ecosysteem ineens gebroken zijn. De uitspraak dat er bij 10 tot 12 miljard mensen nergens grenswaarden overschreden worden, zou ik niet graag voor mijn rekening nemen.

”In veel landen, bijvoorbeeld in Indonesie, Thailand en Brazilie, is het gelukt tegen lage kosten de bevolkingsgroei te verlagen. Je moet wel letten op drie dingen. Allereerst moeten mensen het gevoel krijgen dat ze zich met planning mogen bezighouden. Het moet mogen. Ze moeten niet het gevoel hebben dat ”alle kinderen van God komen', maar dat kinderen krijgen het resultaat is van bewuste afwegingen. planning campagnes moeten mensen aan het denken zetten, het onderwerp uit de taboesfeer halen en tot onderwerp van publieke discussies maken. Bijvoorbeeld door plakkaten met daarop ”Twee kinderen is genoeg'. Op de tweede plaats moet de afweging van wel of geen kind erbij uitvallen ten gunste van geboorteregeling. Mensen moeten belang hebben bij minder kinderen. Daar is een bepaald niveau van economische ontwikkeling voor nodig. Als de levensstandaard laag is brengen kinderen meer op dan ze kosten _ ook al verkopen ze maar kauwgom op straat _ en is geboortebeperking dus onvoordelig. Op een bepaald niveau ligt er een omkeringspunt als ouders gaan investeren in de opleiding van hun kinderen. Op de derde plaats moeten er geboortebeperkende middelen beschikbaar zijn. Ze moeten goedkoop of gratis zijn en gemakkelijk verkrijgbaar. Er bestaat in veel ontwikkelingslanden een grote onbevredigde behoefte aan planning van 25 tot 40 procent.

”Van dwang ben ik een absoluut tegenstander. Bevolkingspolitiek moet je altijd voeren om het welzijn te verhogen. Anders werkt het contraproduktief. Maar ik vind wel dat je moderne communicatietechnieken moet gebruiken om de eerste demografische transitie, die zonder twijfel zal plaatsvinden, zo snel mogelijk te doen verlopen. Niet omdat ik bang ben voor een spoedige catastrofe, maar omdat ik wat extra zekerheden en reserves wil inbouwen.'

Bent u er zeker van dat de demografische transitie zal doorzetten in de Derde Wereld? Stokt hij in sommige Afrikaanse landen niet omdat de motor ervan _ economische ontwikkeling _ hapert? Dreigen sommige Afrikaanse landen niet in de demografische val te lopen, zoals Lester Brown van het World Watch Institute en de tropenarts Maurice King beweren? Zijn de hongersnoden, de milieudegradatie en de stroom milieuvluchtelingen geen aanwijzingen dat de carrying capacity overschreden is?

”Laatst heb ik de ontwikkeling van de vruchtbaarheid en sterfte van alle landen ter wereld op een rijtje gezet. Landen in Afrika blijven inderdaad wat achter, maar stokken vind ik een te groot woord. Afrika is later gestart met de demografische transitie. Of ze in de demografische val gelopen zijn, is niet te zeggen. De sterfte stijgt in ieder geval nog nergens.'