Culturele factor belangrijk in ontwikkelingsbeleid

Ontwikkelingswerk is cultuurverandering èn cultuurbehoud, gebaseerd op universele waarden èn relativisme. De juiste dosis kan alleen in de praktijk worden gevonden, aldus B. de Gaay Fortman.

“Probeer niet langer ons goed te doen. Dat goed doen van jullie heeft ons als te veel kwaad berokkend”. Aldus, honderd jaar geleden, sjeik Mohamed Abduh in zijn boek Een Egyptenaar in Londen. Het verzet tegen bevoogdend ontwikkelingsbeleid leeft vandaag zeker niet minder. Ontwikkeling betekent, haast per definitie, verbetering. Maar wat is verbetering en wie maakt dat uit?

In een typisch economische aanpak is het produktievermogen (de economische structuur) object van verbetering. Vanuit een politieke invalshoek gaat het om de machtsverhoudingen: het nationaal vermogen tot zelfstandigheid (self reliance) moet worden vergroot. In sociaal culturele benaderingen staan de mensen zelf centraal; hun verheffing uit een situatie van armoede vereist een proces van emancipatie.

Ontwikkelingsbeleid gaat er van uit dat zulke verbeteringen niet vanzelf tot stand komen. Er moet worden ingegrepen; interventie heet dat tegenwoordig. Daarbij pleegt vanzelfsprekend de nadruk te vallen op dat wat dient te veranderen; de bestaande toestand wordt immers onwenselijk geacht. Tot de remmende factoren wordt doorgaans ook de cultuur gerekend. Heilige koeien belemmeren de veeteelt. Land dat van de hele gemeenschap is, kan bij kredietverlening niet worden benut tot individuele zekerheidsstelling.

Vanuit die visie op cultuur werd ontwikkeling modernisering en dat betekende weer verwestelijking. Daarbij heeft cultuuroverdracht niet zozeer verticaal plaats - van generatie op generatie - maar veeleer horizontaal: van de ene groep wereldburgers naar de andere. Wij leven, zo meent de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, in een Synchronwelt. Voor die "Synchronwelt' is kenmerkend dat de uitwisseling tussen gelijktijdig levenden de overhand krijgt op historische processen van traditievorming en -bewaring. In "het dorp wereld' (The global village) gaat niet alleen informatie onmiddellijk de hele wereld rond, ook mensen verplaatsen zich snel over grote afstand. Zo zijn volksverhuizingen een mondiaal verschijnsel geworden.

Bezit ontwikkeling derhalve een eigen cultuur - de cultuur van het moderne - waarvoor de traditie moet wijken? Hier heerst ook twijfel. Kijkt men naar de succesvolle - "ontwikkelde' - landen dan valt op dat naast cultuurverandering ook sprake is van cultuurbehoud. Zo bleef bij alle modernisering Japan toch Japan. Juist voor die culturele identiteitsfactor is een toegenomen belangstelling ontstaan.

Legio zijn de verhalen over mislukkingen op het lokale vlak door onvoldoende oog voor culturele eigenheid. Op beleidsniveau heeft dit tot een verschuiving geleid: van cultuur als op te ruimen obstakel naar cultuur als randvoorwaarde, een conditie die de veranderingsdoelstellingen beperkt. Nog een stapje verder wordt cultuur gezien als identiteit, als het proces dat de verandering zin moet bieden en haar het karakter kan geven van verbetering.

In de combinatie van vrije markt-economie met liberale democratie zag Francis Fukuyama twee jaar geleden het cultuurloze “einde van de geschiedenis”. Dat optimisme heeft vandaag zijn appel verloren. Zeker, het reëel bestaande socialisme met zijn monolitische produktiecultuur is ten onder gegaan. Maar als Athene weent, lacht Sparta niet. In de landen die prat gaan op een eeuwenoude democratische cultuur, depolitiseert de bevolking in hoog tempo. Goed bestuur vereist legitimatie en die veronderstelt een redelijke mate van participatie. De "televisiedemocratie' blijkt de culturele basis van een parlementair democratisch bestel te kunnen ondergraven. Daarmee is het minder duidelijk geworden of voor de falende één-partijstaten wel een universeel homogeen alternatief kan worden geboden.

Meer en meer wordt ook begrepen dat een stelsel van markten en prijzen op zich zelf geen panacee is. Het komt aan op de cultuur waarbinnen zo'n systeem functioneert. Economen zijn Adam Smith gaan herlezen en ontdekten dat aan de veronderstelde bevordering van het algemeen belang door talloze, elk vanuit het eigenbelang handelende, individuen, een belangrijke voorwaarde is gekoppeld: een eerlijk, integer en goed geïnformeerd bedrijfsklimaat. Zeker, eigenbelang is een sterke mobiliserende en motiverende kracht. Maar egoïsme kan ook ontaarden in asociaal gedrag, tomeloze hebzucht en uitbuiting van natuur en medemens. Het nieuwe rapport van de Club van Rome (The first global revolution) zoekt dan ook naar complementaire waarden in een nieuwe ethische visie.

In zijn nota Een wereld van verschil kiest minister Pronk voor een beleid waarin ontwikkelingsactiviteiten worden geënt op de cultuur waarin de interventie plaatsheeft. Voor behoud en versterking van culturele identiteit wordt geld uitgetrokken. Belangrijker nog is het streven het hele beleid op culturele factoren door te lichten.

Bij DGIS en de ambassades wil zo'n nieuw inzicht nog weleens leiden tot het aanstellen van speciale ambtenaren voor het pas ontdekte facet. Maar juist vragenlijsten, toetsen en bureaucratische procedures zijn onderdeel van een cultureel falend ontwikkelingsbeleid. Het komt aan op inzicht en instelling bij de mensen aan beide zijden van de ontwikkelings-samenwerking. Ontwikkelingswerk is cultuurverandering èn cultuurbehoud, gebaseerd op universele waarden èn relativisme. De juiste dosis kan alleen in de praktijk worden gevonden. Basisvoorwaarde is dat men weet dat er wat te leren valt.