Coaches hechten aan eigen mentale begeleiding

PAPENDAL, 30 JAN. Hoewel de mentaliteit in de topsport van groot belang is - de verschillen zijn vaak zo klein dat de mentaal sterkste zegeviert - denkt zowel roeibondscoach Jan Klerks als de bondscoach van de vrouwenvolleyballers Peter Murphy geen type als Ted Troost nodig te hebben om hun sporters beter te laten presteren.

“Ik zou het gevoel hebben dat ik tekort geschoten was als een van mijn roeiers de hulp van zo'n mentale begeleider zou inroepen”, zei Klerks gisteren op het Nationale Coach Platform in Papendal, dat dit keer in het teken stond van de voorbereiding op de Olympische Spelen.

Murphy kan zich voor een groot deel vinden in Klerks' betoog. “Ik zou me erg beperkt voelen als ik niets van mentale begeleiding afwist, al kan ik me voorstellen dat een coach die zijn pupillen niet kan helpen de hulp van bijvoorbeeld een sportpsycholoog inroept. Ik vind wel dat de coach de spil moet blijven en ik zou dus precies willen weten wat er speelt.”

Murphy vindt dat een coach “iets” moet hebben waardoor de sporter boven zichzelf uitstijgt. Om dat te verwezenlijken, stelt hij zich autoritair op. “Ik zou graag een humane coach zijn, maar dat werkt niet bij deze ploeg. Na ons survival adventure” - een test die Murphy zijn ploeg liet doen om te zien of deze als ploeg functioneerde - “heb ik besloten weer terug te gaan naar de oude stijl. Anders werd het een kakelhok.”

Het puntensysteem dat Murphy in de voorbereiding hanteert, is in dit kader niet verwonderlijk. Belonen en straffen. Als de volleybalsters een oefening goed doen, krijgen zij punten. Doen zij het fout, dan moeten zij net zo lang doorgaan tot zij de punten wel hebben. Volgens Murphy mogen er in de training geen fouten worden gemaakt en in de wedstrijd wel. “Dat lijkt omgekeerd, maar op die manier leren zij wel te presteren onder druk. Het is veel moeilijker je niveau vast te houden als je moe bent (of te "presteren in de dip' zoals hij het zelf noemt) dan wanneer je uitgerust bent. Sporters raken dan geïrriteerd. Het kenmerkt de echte toppers en topploegen als zij dan toch blijven functioneren. Prestaties van teamsporten worden overigens gekenmerkt door wisselvalligheid. Perfectie bestaat niet. Ik denk dat het ook niet interessant zou zijn als er tien Carl Lewissen zouden rondlopen. Dan zouden zij allemaal gelijk eindigen. Mensen wachten op een foutje.”

Jan Klerks denkt niet dat Murphy's trainingsmethoden geschikt zouden zijn voor roeiers. Een aantal zou een aversie tegen trainen krijgen als zij elke training tot op de bodem moesten gaan, al is het uithoudingsvermogen natuurlijk wel ontzettend belangrijk. Ze moeten verschrikkelijk diep gaan om te winnen. Al na een kwart van de wedstrijd doet alles pijn.''

Een belangrijk onderdeel in de voorbereiding is volgens Klerks het reproduceren van de training. “Een roeier moet op de Olympische Spelen dezelfde race als in de training kunnen roeien. De tegenstander, het weer of wat dan ook, mogen daarop geen invloed hebben. Van Rienks en Florijn hadden wij vier jaar terug ook het idee dat zij een medaille konden halen. Halverwege lagen zij toen vijfde, maar zij lieten zich niet gek maken. Het is hetzelfde als een basketballer die op een training honderd strafworpen scoort en in de wedstrijd mist. Dan spelen er andere dingen. Je moet zorgen dat je een perfecte race roeit. Als anderen beter zijn, winnen zij toch wel.”