Autopsie van grootste schurken aller tijden; Het communisme leek zo totaal anders dan Hitlers nazisme; Vergelijking van de twee dictators was blasfemisch

Wij moeten met grote achterdocht alle aanspraken op het vestigen van het Koninkrijk Gods op deze aarde bekijken, zeker als het verlies van mensenlevens en het verbod van vrijheden dreigt en volgende generaties de verlossing wordt beloofd. Op grond van dit uitgangspunt heeft de Israelische diplomaat Arad, die niets moet hebben van zogenoemde revisionistische historici, waardering voor de Britse historicus Alan Bullock die de “morele en historische uitdaging” aannam Stalin en Hitler in één boek te behandelen.

Al lang voordat de communistische droom vervlogen was, kostte het zelfs uitgesproken tegenstanders van de oktoberromantiek moeite Stalin en Hitler in één adem te noemen. Tijdens ons leven waren twee, of misschien wel drie, generaties gefascineerd door het idee van een missie, van een prachtig visioen, en voor velen van hen impliceerde de messiaanse boodschap van het communisme een streven naar sociale rechtvaardigheid, naar gelijkheid, en naar wat in Orwelliaanse misleidende termen "vrij zijn van gebrek en onderdrukking' genoemd placht te worden. Zeker gebaseerd op een visioen leek het communisme zo totaal anders dan Hitlers nazisme.

Het nazisme verkondigde, vanaf het eerste moment, de meest verwerpelijke boodschap: terreur, bedrog, onderdrukking en verraad. Elke vergelijkende analyse van de twee dictators werd beschouwd als blasfemisch en schandalig. De pogingen, in het begin van de jaren tachtig, van een aantal revisionistische Duitse historici om vraagtekens te zetten bij de theorie dat de Holocaust uniek was door te wijzen op de omvang en de ernst van de stalinistische moorden, werden terecht beschouwd als pogingen Duitsland te zuiveren van zijn afgrijselijke smet.

Technisch konden deze historici bewijzen dat het aantal mensen dat door Stalin werd vermoord groter was dan het aantal dat door Hitlers vernietigingsapparaat werd uitgeroeid. Maar een moreel oordeel vellen op basis van getallen gaat voorbij aan de fundamentele en unieke obsceniteit van Hitlers barbaarse plan een heel volk weg te vagen, niet wegens begane misdaden, niet wegens enige oppositie tegen zijn zucht om Europa te veroveren, maar eenvoudig wegens het feit dat het van joodse afkomst was. Zoals de Duitse historicus Eberhard schreef: “Nooit eerder had een staat... besloten dat een specifieke groep mensen, inclusief haar bejaarden, kinderen en baby's, zo snel mogelijk afgemaakt zou worden en had deze maatregel met gebruikmaking van alle middelen die de staat ter beschikking stonden doorgevoerd”.

Meer dan veertig jaar na de dood van Hitler, en bijna veertig jaar sinds de dood van Stalin, heeft de Britse historicus Alan Bullock een dappere poging gewaagd de morele en historische uitdaging aan te nemen om de twee dictators in één boek te behandelen. Hij is geen Duitser met bijbedoelingen, noch een "hervormde' communist die misschien een verleden te verklaren heeft. Aan de ene kant stonden het stalinisme en het nazisme onverzoenlijk tegenover elkaar, aan de andere kant hadden zij veel gemeenschappelijke kenmerken; hun gelijktijdig optreden en hun interactie moet de student van de nieuwste geschiedenis wel intrigeren.

De afschuwelijkste gedachte die Bullocks boek (Hitler and Stalin) bij de lezer oproept is hoe gestoord en slecht Stalin en Hitler werkelijk waren. Stalin werd geboren in 1879 en Hitler tien jaar later, maar wat een record aan perversiteiten en ellende hebben zij in de eerste helft van deze eeuw weten te comprimeren. In de geschiedenis van de menselijke soort komt geen andere schurk voor die de omvang van hun misdaden kan evenaren. Net als Stalin, had Hitler veel aan zijn moeder te danken. We kunnen altijd weer teruggaan naar Freud, die opmerkte “een man die de onbetwistbare lieveling van zijn moeder is geweest houdt zijn hele leven het overwinnaarsgevoel, het vertrouwen op succes dat vaak leidt tot werkelijk succes”.

Het is duidelijk dat wij onze toevlucht moeten nemen tot de instrumenten van de psychoanalyse als wij de complexiteit en de mentale structuur van deze twee heren willen begrijpen. Men zegt dat Erich Fromm Hitlers falen op de middelbare school toeschreef aan het feit dat hij zich steeds meer terugtrok in een fantasiewereld. De liefde waarmee zijn moeder hem de eerste vijf jaar had omgeven, zou een gevoel van zijn eigen uniciteit hebben aangemoedigd - net als in het geval van Stalin.

Fromm beweerde dat beide mannen, ondanks hun verschillen, “klassieke gevallen van het narcistische persoonlijkheidstype” waren. Narcisme is een begrip dat oorspronkelijk door Freud werd geformuleerd met betrekking tot de vroege jeugd, maar een begrip dat nu in algemenere zin gebruikt wordt als beschrijving van “een persoonlijkheidsstoornis waarbij de natuurlijke ontwikkeling van relaties met de externe wereld niet heeft plaatsgevonden”. Om nog even aan Fromm te refereren, hij merkte op dat een zekere mate van narcisme kan worden beschouwd als een beroepsdeformatie bij politieke leiders die gelijke tred houdt met de mate waarin zij overtuigd zijn van hun "goddelijke missie, de onfeilbaarheid van hun oordeel en hun machtsmonopolie'.

Eén van Stalins biografen heeft verklaard dat het hardvochtige gedrag van zijn vader ten opzichte van de jonge Josef en diens moeder, dikwijls in aanwezigheid van Josef, in de jonge Stalin een intens gevoel van isolement, verwaarlozing, afwijzing en vijandelijkheid ten opzichte van de wereld om hem heen heeft veroorzaakt. Het cruciale moment kwam in 1917. Stalin speelde geen hoofdrol. De revolutie was zonder hem bedacht en uitgevoerd. Dat had een traumatisch effect op hem. Toen de bolsjewistische leiders naar het Finland-station in Petrograd kwamen, was Stalin daar niet bij. Nadien was er niets dat Stalin meer motiveerde en achtervolgde dan de behoefte om Stalin wel een hoofdrol te laten bekleden, en daarom alle oude bolsjewieken te verwijderen die naar het Finland-station waren gekomen, niet alleen uit hun machtspositie in de partij, maar uit de wereld van de levenden.

In het geval van Hitler was diens behoefte om het toppunt van de macht te bereiken al in Mein Kampf onder woorden gebracht: “De mens is groot geworden door strijd... Wat de mens ook heeft bereikt is te danken aan zijn originaliteit plus zijn wreedheid... Het hele leven houdt verband met drie stellingen: strijd is de vader aller dingen, deugd komt voort uit bloed, leiderschap is primair en beslissend”. Sinds zijn jeugd in Wenen was haat tegen joden diep in zijn geest geworteld. Refererend aan de joden schreef hij: “Eindelijk heb ik ontdekt wie de kwade geesten waren die ons volk misleid hebben”. Deze obsessie beheerste zijn leven en handelen tot zijn laatste dag.

Hitler beschouwde zichzelf kennelijk als de goddelijke afgezant die het Duitse volk van de vernedering, het verlies van de oorlog en de decadentie van de Weimar Republiek moest redden. Stalin echter zag het als zijn missie het achtergebleven Rusland te veranderen in een moderne, socialistische maatschappij. Beiden realiseerden zich dat er slachtoffers zouden vallen wilden zij hun doel bereiken, maar zij overtuigden zichzelf ervan dat de geschiedenis hen in het gelijk zou stellen als zij slaagden in hun opdracht. Dat was, in hun geval, de vader van alle kwaad.

Het idee dat er onoplosbare problemen bestonden wees Hitler altijd van de hand. Als zich zo'n probleem voordeed weet hij dat aan het onvermogen te vechten of aan een gebrek aan wilskracht. Stalin hield er soortgelijke ideeën op na. Toen hij bij de tragische collectivisatiecampagne werd geconfronteerd met problemen, beschuldigde hij de partijfunctionarissen van kwade trouw of van onachtzaamheid. De twee dictators koesterden minachting voor het democratische proces. Zij verboden alle andere partijen, maar zij verhinderden ook iedere nuancering binnen hun eigen partijen. Zij waren zo overtuigd van het feit dat zij een historische missie te vervullen hadden, dat zij geen tijd hadden om zich zorgen te maken over de mensenlevens die hun avonturen kostten.

Beiden streefden op fanatieke wijze hun respectievelijke, vaak strijdige doelen na, maar Stalin leek de gedecideerdste van de twee. Tijdens de twaalf jaar dat Hitler de absolute macht had in Duitsland, waren er talrijke ogenblikken waarop hij onzeker was of twijfelde. Stalins koelbloedigheid maakte op velen diepe indruk, terwijl Hitler zowel echte als gespeelde emotionele uitbarstingen had.

Retoriek was meer het instrument van Hitler dan van Stalin. Maar Stalin introduceerde de persoonsverheerlijking zoals die in de geschiedenis nog nooit was vertoond. Zowel Hitler als Stalin leden aan grootheidswaan, maar de Russische dictator ensceneerde de persoonsverheerlijking met een meer methodische, misschien meer primitieve, ijver. Al in 1929 begonnen kranten in de Sovjet-Unie artikelen te publiceren waarin het "geniale leiderschap' van Stalin werd bejubeld. Dichters, schilders en journalisten werden geronseld om de leider te vleien. Hitler bleef wat betreft deze krankzinnige drang zichzelf als God te beschouwen niet ver achter.

Megalomanie en paranoia zijn door meer dan één geestelijke impuls met elkaar verweven. De langst bekende diagnose van Stalin als paranoïde blijkt uit december 1927 te stammen. Professor Vladimir Bekhterev uit Leningrad nam niet alleen waar dat “Stalin een typisch geval was van ernstige paranoïa” en dat “een gevaarlijk man” aan het hoofd van de Sovjet-Unie stond, hij vertelde het zelfs aan zijn assistent, een daad van roekeloze openheid die hem onmiddellijk de kop kostte.

Beide dictators waren volstrekt niet geïnteresseerd in de normale regels van bestuur. Hitler bracht nooit een voorstel in stemming. De wetten van het land werden door hem geconcipieerd, doorgestuurd en bekrachtigd. In 1935 waren er maar twaalf kabinetszittingen in Duitsland. In 1936 daalde dat aantal tot vier. De laatste kabinetszitting onder Hitler was in februari 1938. Ondanks deze minachting voor een ordelijk functioneren van de regering, probeerden zowel Hitler als Stalin om, waar mogelijk, de schijn te wekken dat zij handelden volgens iets dat op legaliteit moest lijken. Dat wil zeggen, zij verkrachtten de wet, manipuleerden de rechtbanken, dwongen bekentenissen af, maar deden het voorkomen alsof de rechtsgang werd gerespecteerd. Een grote zwendel, zowel in het bolsjewistische Rusland als in nazi-Duitsland.

De twee kwaden kwamen in augustus 1939 samen, toen zij het niet-aanvalsverdrag tekenden, waardoor Hitler Polen kon vermorzelen. Stalin stond de Duitse marine toe de niet bevroren havens in de Sovjet-Unie te gebruiken; hij was duidelijk verantwoordelijk voor de nauwe samenwerking tussen de NKVD en de Gestapo en liet de Duitse communisten, die al het grote genoegen gesmaakt hadden jaren in Siberië door te brengen, aan de SS uitleveren. Dit waren een paar van de meest afgrijselijke wapenfeiten van de nazi-Sovjetsamenwerking. Maar er was ook de morele verloedering, het trauma van het vreselijke verraad dat jarenlang heeft voortgeleefd, en waaruit het door en door slechte en wrede karakter van de twee leiders sprak.

Ze zijn nu allemaal dood - de mythe, de droom en de wereldrijken. Wij moeten met grote achterdocht alle aanspraken op het vestigen van het Koninkrijk Gods op deze aarde bekijken, zeker als het verlies van mensenlevens en het verbod van vrijheden dreigt en volgende generaties de verlossing wordt beloofd. Hitler had geen erfgenaam, maar in Oost-Duitsland heeft meer dan veertig jaar het vreemde mengsel van een stukje erfenis van Hitler, stalinistisch dogmatisme en harde Stasi-praktijken welig getierd. Jane Kramer schreef onlangs in de New Yorker “de mythe van Oost-Duitsland in het Westen was dat het werkte - dat het een high-tech industriële politiestaat was”. De Oostduitse boerenbedrijven, net als de puinhopen die het gevolg waren van Stalins krankzinnige collectivisatie van de Sovjet-landbouw, produceerden per hectare een derde van wat Westduitse boerenbedrijven produceerden. De indrukwekkendste erfenis van Oost-Duitsland is, heel symbolisch, de vijftig mijl Stasi-documenten. Stalins dood in 1953 maakte geen einde aan het communistische regime, maar het proces van desintegratie was al een eind op weg. Zeer weinigen van ons waren ons er, voordat het uiteindelijk zover was, van bewust dat de ondergang dreigde.