Artiest Brouwers eist erkenning creatie figuur Sjef Van Oekel; Hoger beroep in zaak stripheld Van Oekel

AMSTERDAM, 30 JAN. Vanmorgen diende bij het Amsterdamse gerechtshof in hoger beroep de zaak die de artiest Dolf Brouwers aanspande tegen de makers van de "Sjef van Oekel'-stripverhalen, Wim T. Schippers en Theo van den Boogaard. Beide partijen waren in beroep gegaan tegen het tussenvonnis van de Haarlemse rechtbank. De rechter te Haarlem achtte in januari 1991 het bezwaar van Brouwers terecht, dat hij als stripfiguur onrechtmatig en in een scrabreuze “en soms ronduit pornografische” context was afgebeeld. De advocaat van Brouwers, jhr. mr. R.E.P de Ranitz, bepleitte voor de Haarlemse rechtbank tevens een schadevergoeding en auteursrechten op de Van Oekel-stripalbums. Hiertoe moest Brouwers volgens de Haarlemse rechter eerst nader bewijs leveren.

In zijn pleidooi noemde vanmorgen de advocaat van Schippers en Van den Boogaard, mr. H.J.M. Boukema, de figuur van Sjef van Oekel louter een schepping van Wim T. Schippers, Gied Jaspars en Ruud van Hemert voor een serie VPRO-shows in de jaren zeventig. De Sjef van Oekel-stripfiguur, betoogde Boukema met behulp van video-beelden, is getekend naar die tv-creatie van Schippers en de zijnen, en niet naar de persoon Dolf Brouwers. Inmiddels is volgens de advocaat het Van Oekel-personage als “schematisch poppetje” een dermate eigen leven gaan leiden, dat onmogelijk staande kan worden gehouden dat de stripfiguur getekend is naar de beeltenis van Brouwers en hierdoor in strijd is met het portretrecht.

Naar de mening van Brouwers' advocaat is niet alleen van het gezicht van Brouwers gebruik gemaakt voor de Van Oekel-strip, maar is ook de mimiek van de stripfiguur ontleend aan de persoon van Dolf Brouwers. De Ranitz betoogde dat Brouwers zelfs nog herkenbaar is indien men het hoofd van de stripfiguur zou afdekken. Derhalve is de gehele stripfiguur Van Oekel ontleend aan de artiest Dolf Brouwers.

Volgens de raadsman van Schippers en Van den Boogaard is het juist Brouwers geweest, die zich in de loop der jaren uiterlijk zowel als in naam de rol van Sjef van Oekel toeëigende en “gratis gebruik maakte” van de creatie en de teksten van Schippers. Het enige waaraan de stripfiguur zijn herkenbaarheid nog ontleent zijn de "parafernalia' als een zware bril, een gezet postuur en een borstelsnorretje, volgens Boukema allemaal elementen die door Wim Schippers zijn bedacht.

Dolf Brouwers was als het Van Oekel-personage slechts een “vertolker” van een rol, betoogde Boukema, die Brouwers bovendien vaak zelf niet eens begreep. Bovendien, zei Boukema in zijn betoog over het verschil tussen "gelijkenis' en "herkenbaarheid', heeft Brouwers in 1974 schriftelijk afstand genomen van de rechten van de naam Van Oekel en heeft hij daarna nog veelvuldig meegewerkt aan promotionele activiteiten voor de stripalbums. Brouwers heeft volgens Schippers' raadsman in een interview beweerd sindsdien nog een duizendtal optredens te hebben verzorgd op basis van door de auteur belangeloos geleverde teksten.

Brouwers' advocaat De Ranitz hield staande, dat Schippers in het verleden niet meer deed dan het leveren van de teksten voor de VPRO-shows; het Sjef van Oekel-personage werd destijds voor een groot deel gecreëerd door de speler van de rol zelf. Hij betoogde dat de makers van de Van Oekel-strips de beeltenis van zijn cliënt nu in de stripserie in “onsmakelijke situaties” afbeelden en uitbuiten. Hij beklemtoonde nog eens de grote overeenkomst tussen Brouwers en Van Oekel en eiste andermaal auteursrechtelijke- en schadevergoeding, met een voorschot van ƒ 300.000 gulden, en stopzetting van deze rechtstreekse inbreuk op het portretrecht.

Op initiatief van Joost Swarte, striptekenaar en voorzitter van de Stichting Beeldverhaal Nederland, is een brief gestuurd naar de president van het Amsterdamse gerechtshof mr. H.F. van der Haak, ondertekend door een aantal kunstenaars, journalisten, wetenschappers en museumdirecteuren. In de brief wordt gesteld dat Van Oekel moet worden beoordeeld als “een oorspronkelijke creatie” van Schippers en Van den Boogaard. Taalgebruik van de stripfiguur, evenals de situaties waarin Van oekel verzeilt, zijn “door Wim T. Schippers verzonnen en onmiskenbaar verwant aan zijn andere werk”. Houdingen en gezichtsuitdrukkingen van de figuur Van Oekel zijn volgens de briefschrijvers tevens te vinden in het werk van Van den Boogaard, dat hij vóór de Van Oekel-strip tekende.

De briefschrijvers zouden het “voor de Nederlandse cultuur” diep betreuren als de strip, waarvan inmiddels zeven albums zijn verschenen en die in vertaling is verschenen in Italië, Denemarken, Frankrijk en Duitsland, zou moeten worden stopgezet. De brief is ondermeer ondertekend door Marthe Röling, Reinbert de Leeuw, Adriaan van Dis, Peter van Straaten, Emile Fallaux en Hugo Claus.