Archeologie; Het voordeel van onenigheid

W. ROEBROEKS (1955) is sinds 1983 universitair docent aan het Instituut voor Prehistorie van de Rijksuniversiteit Leiden. In 1990 kreeg hij de W.A. van Es-prijs voor archeologisch onderzoek.

Wie op een wetenschappelijke manier tot kennis over het verleden wil komen, dient rekening te houden met een drietal bijzondere omstandigheden. In de eerste plaats blinkt de geschiedenis uit door afwezigheid, zoals Brodsky onlangs in zijn Huizingalezing opmerkte. Ten tweede is geschiedkundig onderzoek een "kind van zijn tijd'. De periode waarin de historicus leeft bepaalt welke dingen hij ziet en welke vragen hij stelt. Bovendien is dat onderzoek ook een "kind' van hemzelf. Aanleg, capaciteiten, overtuiging, karakter, opleiding en carriere-wensen maken uit hoe hij daar mee bezig is.

Vroeger leek men zich van de moeilijkheden die hieruit voortkomen weinig rekenschap te geven. Historici formuleerden in hun studeerkamer theorieen en probeerden die aan de feiten te toetsen. Ze hoopten dat deze methode uiteindelijk tot consensus zou leiden. In de geschiedenis _ en ook in de archeologie _ is men van deze opvatting nu het terugkomen.

Roebroeks: "We moeten erkennen dat we geen historische feiten hebben, alleen verschillende groepen interpretaties vanuit verschillende invalshoeken. Zelfs het noemen van een gebeurtenis is al een interpretatie, want je selecteert, om welke reden dan ook, uit een veelvoud van dingen die je krijgt aangeboden.

"Ik denk dat de tweedeling tussen feit en interpretatie steeds meer zal worden opgeheven. Vroeger zag men in de confrontatie daarvan het fundament van kennis. Maar op het moment dat je erkent hoeveel projecties uit je eigen wereld in je denkbeelden zitten, dan vervalt dat fundament. De oplossing, die onder andere door de Leidse geschiedfilosoof Lorenz wordt voorgesteld, is dat je geschiedkundige kennis niet meer kunt funderen maar _ en dat is de enige mogelijkheid _ moet In die zin dat je een interpretatie, een visie vanuit een bepaald perspectief, naar je collega's toe plausibel moet proberen te maken. Je verhaal moet coherent zijn, recht doen aan wat archeologie als wetenschappelijke bronnen beschouwt en aan de manier waarop een archeoloog moet werken. Je dient collega's te overtuigen, er voor te zorgen dat ze tenminste delen van je verhaal serieus nemen. De fundering, de "absolute' fundering vervalt dan. Fundering wordt een sociaal proces, iets dat plaatsvindt tussen collega's'.

Binnen de archeologie woedt sinds enige decennia een strijd tussen theoretische stromingen. De New Archaeology, ook wel processuele archeologie genoemd, overstemde de oude cultuur-historische benadering. Het beschrijven van prehistorische samenlevingen moest maar eens plaatsmaken voor meten, kwantificeren, zoeken naar wetmatigheden en voorspellen.

De reactie hierop, de contextuele archeologie, wilde weer af van het zoeken naar wetmatigheden en stelde het unieke centraal en daarbij kreeg ook het individu een rol.

Roebroeks: "Een Canadese archeoloog, Bruce Trigger, heeft een boek geschreven over de ontwikkeling van de verschillende stromingen in ons vakgebied. Hij probeerde ze te traceren naar wat er in de maatschappij gebeurde toen ze opkwamen. De processuele archeologie plaatst hij in de Amerikaanse samenleving van de zestiger jaren: vluchten naar de maan, een optimistische kijk op de maatschappij, de maakbare maatschappij. Met wat overdrijving kun je op die manier stellen dat de contextuele archeologie typisch de ideologie van Thatcher-Engeland vertegenwoordigt: het individu geeft zijn eigen wereld vorm.

"Hoe het nu verder gaat is moeilijk te voorspellen. Maar de contextuele archeologie heeft men eigenlijk de feit-interpretatie tegenstelling laten vallen. Dat is er in mijn ogen een van de goede dingen aan. Bij de processuele archeologie speelt die nog een heel grote rol. Ik hoop dat er een situatie ontstaat waarin een probleem vanuit verschillende perspectieven wordt bestudeerd en waarin men niet langer streeft naar consensus maar bewust naar dissensus. Je zou bij nederzettingsonderzoek bijvoorbeeld onderzoekers moeten betrekken die er vanuit een ecologisch gezichtspunt naar kijken. En daarnaast anderen die stellen dat dat een volstrekt foute benadering is. Dat de prehistorische mensen hun leven niet zozeer door de natuur lieten bepalen maar dat sociale factoren het zwaarst wogen. Als je die twee perspectieven in een project hebt en de betrokkenen kunnen nog met elkaar praten, dan denk ik dat zoiets heel vruchtbaar is. Je komt dan niet uit bij een waarheid maar de kwaliteit van je argumentatie verbetert, het verhaal dat je vertelt wordt plausibeler. Dat zou mijn ideaal van wetenschapsbeoefening zijn. Pluriformiteit. Leve de controverse.'

Controversen zijn er tegenwoordig volop. Het wereldje van de paleolithische archeologie wordt verscheurd door een diepe tegenstelling. De ene groep onderzoekers meent dat de moderne mens, sapiens sapiens, zich overal in continuiteit ontwikkelde uit voorganger erectus die 1 miljoen jaar geleden vanuit Afrika over de wereld uitzwierf. De bekendste voorvechter van deze of Africa I-theorie is de Amerikaan Milford H. Wolpoff.

Onder aanvoering van de Brit Chris B. Stringer hangt een veel grotere groep de zienswijze aan dat sapiens sapiens pas veel later in Afrika ontstond en dat hij erectus achterna reisde en diens nazaten verving: of Africa II. Beide kampen beschikken vanzelfsprekend over doorslaggevend bewijs voor hun eigen gelijk.

Maar Stringer en de zijnen hebben een steun in de rug gekregen door de resultaten van onderzoek aan mitochondriaal DNA (mt DNA ), waaruit bleek dat sapiens sapiens nog lang geen miljoen jaar bestaat. Mitochondrien zijn celorganellen die energie leveren. In de loop van de tijd muteert het mt DNA , naar men aanneemt met een vaste snelheid.

Toen bevolkingsgroepen werden vergeleken bleken Afrikanen het meest diverse en daarmee het oudste mt DNA te bezitten. Met behulp van de vergelijkingen kon een menselijke stamboom worden getekend en veronderstellingen over de mutatie-snelheid voerden het ontstaan van sapiens sapiens terug naar een tijdstip tussen 140.000 en 290.000 jaar geleden, met 200.000 jaar als beste schatting.

Roebroeks: "Het is al lang niet meer zo dat archeologen klakkeloos conclusies van de "harde' wetenschappen omarmen. De kritiek van de Out of Africa I aanhang concentreert zich onder meer op de veronderstelde mutatiesnelheid van het mt DNA . Dat is het zwakste punt uit het hele verhaal. Er zijn al snelheden gepubliceerd die uitkomen op 800.000 jaar geleden. Dan kom je toch aardig in de buurt van wat of Africa I beweert. Maar dan nog zijn beide kampen niet met elkaar verzoend. De discussie speelde al voor de uitkomsten van het mt DNA onderzoek en is gebaseerd op botsende interpretaties van hetzelfde botmateriaal. Het is een kwestie van definieren van verschillen. En Wolpoff wil of Africa II, de vervangingstheorie, gewoon niet waar hebben. Hij noemt het een "wetenschappelijke herneming van het Kain en Abel verhaal' en gruwt van de gedachte dat wij een produkt zouden zijn van genocide. Dat is geen overtuigend argument, maar zo zie je hoe waardeoordelen bij geschiedschrijving meespelen.

"Ik associeer mezelf met de continuiteitsgedachte _ meer omdat het een minderheidsstandpunt is, een emotionele keuze. De anatomische argumentatie kan ik niet goed beoordelen. Ik denk dat ik me ook tot die kant aangetrokken voel omdat die interessanter is, meer vragen oproept. Vanuit de vervangingstheorie is bijvoorbeeld de gedragsverandering die de overgang van Midden-Paleolithicum naar Jong-Paleolithicum markeert (40.000 v.Chr.) eenvoudig te verklaren: dat waren gewoon andere mensen. Maar als je je de vraag stelt: waren dat misschien toch dezelfde mensen, dan is dat veel produktiever. Omdat het voor meer problemen zorgt.

"We delen het verleden in in hokjes en dat zijn eigenlijk werkhypothesen _ niet meer dan dat. Neem de indeling Oud-, Midden- en Jong-Paleolithicum en de daarin veronderstelde ontwikkelingen. Die indeling is honderd jaar geleden opgesteld, gebaseerd op veranderingen in de vuurstenen werktuigen en in de tijd corresponderende fauna's, diergemeenschappen.

"Die indeling heeft lang gewerkt maar ging op een gegeven moment variaties binnen de perioden verbergen. Bovendien bleken de hokjes lek. Combinaties van vuurstenen artefacten en botmateriaal hielden zich niet aan de indeling. Archeologen die zich met het Paleolithicum bezighouden, vragen zich steeds meer af wat het nut van dit soort blokdenken is. Maar het zit er zo diep in. Je ontkomt er nauwelijks aan een doelgerichte, ordelijke ontwikkeling op lange termijn te willen zien. Je daar in extreme mate van bewust zijn is vaak het enige dat je kunt doen'.

Het ontbreken van het geschreven woord blijft voor de archeoloog een grote handicap. "Maar het is wel mogelijk', zegt Roebroeks, "te zien of er principes waren die het materiaal dat je vindt structureerden. Neem dit geval: stel je weet uit paleontologische gegevens welke dieren in een bepaald gebied, in een bepaald tijdvak leefden. Vervolgens zie je op een groot aantal archeologische vindplaatsen systematisch steeds een nauw omschreven deel van die dierenwereld terug. Je zou dan aannemelijk kunnen maken dat bijvoorbeeld voedseltaboes voor die selectie verantwoordelijk waren. Soortgelijke taboes spelen vandaag de dag nog bij veel groepen een belangrijke rol.

"Nog een ander voorbeeld. Op een heel plausibele manier heeft de Amerikaanse archeoloog Bob Whallon aanwezigheid van taal beargumenteerd. Hij stelt dat de kolonisatie van het noorden van Amerika, van Siberie en Australie alleen kan worden verklaard vanuit de aanwezigheid van een complexe taal. Whallon wijst op de grote ecologische homogeniteit van die gebieden. Als er iets fout ging in het milieu, dan waren de mensen die er woonden de klos. Tweehonderd kilometer verderop trekken had geen zin want daar was het immers precies hetzelfde. Individuen konden in een leven van 20 a 30 jaar niet genoeg ervaring verzamelen over produktiviteitsschommelingen op lange termijn. Om te overleven moesten de mensen dus wel over een systeem beschikken om de kennis van hun voorouders vast te houden, daar de hunne aan toe te voegen en dit alles met anderen uit te wisselen. Zo'n systeem is bij uitstek taal. Ze hebben de beschikking gehad over een soort encyclopedia en die kon het diepst in de tijd terug gaan wanneer de informatie werd opgeslagen in de vorm van mythen en rituelen. Dat zoiets bestond kun je dus beredeneren, maar het is waar, de specifieke inhoud van die mythen en rituelen, van taboes, die krijgen we nooit te pakken. Wat ze voelden en tegen elkaar zeiden _ dat laat voor de archeoloog geen sporen na.'