Algemene Taalwetenschap; Het raadsel van de betekenis

JAN KOSTER (1945) is hoogleraar Algemene Taalwetenschapen Taalfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

”De muur waar je niet overheen kunt, zit bij de vraag wat er in je hoofd gebeurt. Taal is niet een groepje neuronen in je hersenen. Het gaat onder meer om kennis die op de een of andere manier gerepresenteerd is in je brein. En die daar groeit, wat heel bijzonder, en biologisch gezien interessant is. Die representaties waaien je aan als je een kind bent. De uiteindelijke decodering daarvan, hoe je die representaties ”gewaarwordt', is een mysterie dat niet op te lossen is. Dat is een principieel doodlopende weg.'

Prof.dr. Jan Koster (46), hoogleraar Algemene Taalwetenschap en Taalfilosofie aan de universiteit van Groningen, is resoluut in zijn uitspraken. Maar hij ziet voor de taalkunde voorlopig toch meer weidse vergezichten dan muren opdoemen.

Dat komt doordat de tijd volgens hem rijp is voor samenwerking, zowel tussen de verschillende gebieden van de taalkunde als tussen de taalkunde en andere vakgebieden. Koster: ”Er is inmiddels zoveel theoretische kennis dat niemand er meer omheen kan. Of je nu iets wilt zeggen over taalverwerving, over de gebarentalen van doven, over taalstoornissen zoals afasie, in al die gebieden zie je toepassingen. In kindertaalonderzoek is er momenteel echt een explosie: mensen van allerlei disciplines werken daaraan. Maar er kan nog veel meer.'

”Neem bijvoorbeeld het volgende. Het blijkt dat kinderen een vast patroon doorlopen bij het leren van taal (het maakt niet uit welke taal). En het interessante is dat de ”stappen' die ze daarbij zetten soms heel plotseling zijn. Inééns beginnen ze bijvoorbeeld álles na te zeggen wat jij zegt, en ze maken ook alle geluiden na: kreten, boeren, gebrom. Die plotsklapsheid doet denken aan een hormonale stoot. Het kan zijn dat die stappen getriggerd, opgewekt worden door hormonale veranderingen. Daar is niets van bekend, dat zou je dus biomedisch moeten bekijken. Aansluiting zoeken bij de ethologie, de gedragsleer van dieren, zou ook dingen kunnen opleveren. Er zijn karrevrachten interessante onderzoeken te bedenken.'

Dat die desalniettemin nog maar zelden gedaan worden, heeft alles te maken met een aantal praktische obstakels. Die zitten ten dele in het vak. Koster: ”De ontwikkelingen zijn hard gegaan. En je moet de stof wel kennen, je moet er echt voor gaan zitten, wil je er iets mee kunnen doen. Neem fonologie. Ik ben geen fonoloog, en zelfs als ik me nu een jaar ga inlezen denk ik niet dat ik daarna meteen zinnig onderzoek kan doen. Voor mijn eigen specialisme, de syntaxis, geldt voor relatieve buitenstaanders hetzelfde. Die berg basiskennis is echt een hindernis voor bijvoorbeeld psychologen, terwijl de taalkunde feitelijk een onderdeel is van de cognitieve psychologie. We kunnen een essentiële bijdrage leveren als het gaat om de vraag hoe de hersenen werken.'

”Nog een probleem is onze oorsprong. We komen uit de letterenfaculteit, en dat maakt het doorbreken van facultaire grenzen extra moeilijk. Noch binnen noch buiten letteren worden we goed begrepen. Daar moet wel bij gezegd dat de moderne taalkunde zelf ook schuld treft: we hebben te veel aan ghettovorming gedaan. Dat is nu een beetje aan het veranderen, en ook omgekeerd begint bij anderen door te dringen dat er binnen de taalkunde wezenlijke doorbraken hebben plaatsgevonden die zich lenen voor interpretatie in termen van hun wetenschappen.'

Aan de universiteit van Groningen wordt er sinds kort dan ook wel samengewerkt. Binnen het in 1990 van start gegane Centrum voor gedrags-, cognitie-, en neurowetenschappen, in de wandeling BCN genoemd, werken naast taalkundigen ondermeer neurologen, psychiaters, biologen en biofysici. Uniek voor Europa, zegt Koster. Hij heeft hoge verwachtingen, bijvoorbeeld van onderzoek dat samen met het Pet-scan Centrum van het Academisch Ziekenhuis in Groningen gedaan wordt. Koster: ”Een pet-scanner is een apparaat waarmee je processen in de hersenen zichtbaar kunt maken. Dat doe je door mensen glucose (druivesuiker) in te spuiten. Die glucose is radioactief gelabeld, zoals dat heet, en dat maakt dat je kunt volgen waar het zich in het lichaam bevindt. Je hersenen hebben suiker nodig om te werken. Een pet-scan laat zien waar in de hersenen op een bepaald moment de grootste activiteit plaatsvindt. Met gerichte tests die gebaseerd zijn op taalkundige inzichten kun je meer te weten komen over de relatie tussen taal en hersenen. Je kunt kijken wat er actief wordt bij taalverwerking bijvoorbeeld.

”Dat is overigens nog niet zo gemakkelijk, want hoe baken je een taalgebonden taak af van andere taken? Als je tegen iemand zegt: denk aan je moeder, dan zie je ook hersenactiviteit. Maar het is wel duidelijk nu dat ”taal' niet op één plek zit. Er zijn grote delen van de hersenen bij betrokken, het is niet strikt gelocaliseerd. Taal zelf bestaat natuurlijk ook uit uiteenlopende dingen. De woorden van een taal zijn iets anders dan de verbindingen tussen de woorden. Je ziet in de hersenen dan ook samenwerking tussen verschillende gebieden.'

Hier ziet Koster ook mogelijkheden voor een theorie over een brandende maar misschien wel principieel onoplosbare vraag: waar komt taal vandaan? De vraag is eigenlijk niet goed geformuleerd vindt Koster: ”Taal is niet één ding, maar een heleboel verschillende dingen. Die hebben denk ik ook verschillende oorsprongen. Je kunt een grove indeling in tweeën maken: enerzijds is er ons combinatievermogen, anderzijds ons begripsvermogen. In dat combinatievermogen zie je een paar dingen steeds terugkomen. Een belangrijke verworvenheid van de moderne taalkunde is dat er aannemelijk is gemaakt dat talen onderling niet zo erg verschillen. Ondanks dat je eerste indruk wijst op het tegendeel: het opvallendste aan een taal zijn de woorden, en inderdaad, die verschillen het meest. Daar concentreer je je dus ook op als je een vreemde taal gaat leren. Maar als het gaat om verbanden leggen tussen die woorden, dan is er maar weinig variatie.'

”Er is een beperkt aantal universele bouwprincipes. Dat idee is overigens niet nieuw, maar pas in deze eeuw heeft het concreet gestalte gekregen. Noam Chomsky is begonnen formele technieken uit de logica en de wiskunde toe te passen, en dat heeft voor een grote vooruitgang gezorgd. Vooral de laatste jaren zijn er heel veel nieuwe talen onderzocht en telkens als er een bijkomt zie je universele aspecten. Je wordt nooit teleurgesteld. Alle talen hebben hiërarchisch opgebouwde woordgroepen, zinnen die je kunt weergeven in boomstructuren, overal zie je recursie (patronen die binnen zichzelf herhaald kunnen worden, het Droste-effect) en naamvallen.

”Allemaal dingen die je niet zomaar kunt zien? Ja en nee, het is een kwestie van vertrouwdheid met de inzichten. Het is zeker beroepsdeformatie, maar als ik iemand hoor praten kan ik het tegelijk in boomstructuren voor me zien.'

Van onderzoek naar dat combinatievermogen verwacht Koster nog veel resultaten. Zo zullen een aantal deeltheorieën over de verhoudingen tussen twee verschillende plekken in een structuur waarschijnlijk ooit samengeklapt worden, omdat ze op elkaar lijken. Het kernidee dat daarbij een grote rol speelt is dat van de structuurbehoudendheid.

Maar op het terrein van ons begripsvermogen liggen volgens Koster onoplosbare problemen voor de taalkunde. En dat terwijl ons taalvermogen volgens hem moet zijn voortgekomen uit het bij elkaar komen van die twee systemen: de mogelijkheid structuren te bouwen en de mogelijkheid de wereld onder te verdelen in bijvoorbeeld perceptuele categorieën, hem met andere woorden te ”begrijpen'. Daartussen is ooit een brug geslagen, denkt hij.

Koster: ”De wereld kunnen waarnemen en opdelen in verschillende categorieën vind je natuurlijk ook al bij dieren. Die zien ook het verschil tussen een boom of een ander beest dat ze op hun weg tegenkomen. Daar liggen de wortels. Maar wij zijn dat gaan uitbreiden. Wij kunnen werken met metaforen, beeldspraak dus, en met metonymie: dingen niet rechtstreeks bij hun naam noemen, maar bij iets dat ermee verbonden is. We zeggen neuzen tellen als we mensen tellen bedoelen. Over de vraag hoe we die stap ooit gezet hebben kun je natuurlijk alleen speculeren, maar het is opvallend dat de wereld van kinderen in eerste instantie zo concreet is. Ik merk dat aan mijn eigen zoontje van twee. Voor hem bestaan alleen papa, mama, Billy de poes en andere dingen in en om het huis. Door hem realiseer ik me eens te meer hoeveel gewone dingen abstract zijn. Wat ”geld' is bijvoorbeeld kun je absoluut niet uitleggen aan een kind. ”Een middel om andere dingen mee te bereiken' is net een graadje abstracter dan dingen als beer en pap.'

Verschillende talen delen de wereld in in verschillende categorieën. De vertaling van een woord ”dekt' vaak het oorspronkelijke begrip net niet helemaal. Verschillende talen gebruiken ook verschillende metaforen, hebben andere dubbelzinnigheden. Daar zit volgens Koster een cruciaal probleem voor het automatisch vertalen. De vertaalcomputer hoeven we dus ook nog steeds niet te verwachten. Koster: ”De taalkunde heeft in het algemeen veel minder te zeggen over verschillen dan over overeenkomsten. Waarom talen onderling verschillen, of waarom ze niet hetzelfde blijven maar voortdurend veranderen, weten we ook niet precies. Je zou denken: als je zo'n aangeboren universele grammatica hebt, was het dan niet handiger geweest van Onze Lieve Heer om te zorgen dat we allemaal dezelfde, onveranderlijke taal kregen.'

”Maar er is een grote neiging tot differentiatie onder mensen. Men hecht daar erg aan. Taal is een belangrijk middel om een groep te definiëren, als een hondje dat piest en zo zijn territorium afbakent. Iedere generatie probeert zich door nieuwe woorden te onderscheiden. En zo verandert taal. Ik vind bijvoorbeeld dat mijn schoonouders die in 1948 uit Nederland geëmigreerd zijn ouderwets praten: ze zeggen fuif tegen feest, duiten tegen geld en iemand die slim is noemen ze goochem.

”De taalkunde heeft ook niet veel in te brengen als het gaat om mooi of lelijk. Daar speelt persoonlijke smaak mee. En vaak is het een cultuurkwestie, en ook culturen verschillen. Ikzelf vind het mooi als iemand helder en eenvoudig schrijft, maar ik sprak laatst een Duitser die hier al een tijd woont. Dat Nederlands was wel aardig, vond hij, maar de kranten waren hier zo slecht: al die eenvoudige korte zinnen, dat was zo onintellectueel en infantiliserend. Al die lange lastige Duitse zinnen die wij hier vreselijk vinden zijn dus geen toeval: in de Duitse cultuur vinden ze dat juist mooi.

”Overeenkomsten kunnen we met behulp van formele technieken uit andere vakken beschrijven, bij de verschillen heb je niet zo'n metataal. Dat is voor de semantiek, de betekenisleer, vaak een onoverkomelijk probleem. Over betekenis zou iedereen dolgraag meer willen weten. Maar de wetenschap is maar op twee terreinen succesvol: bij woorden die niet direct met kennis van de wereld te maken hebben, zoals alle, sommige, en niet, woorden die hoeveelheden aangeven en ontkenningen dus. En bij betekenisverbindingen tussen woorden. Jan betekent iets, en lezen betekent iets, maar Jan leest betekent iets anders. Daarover kunnen we wat zeggen, maar dat is natuurlijk maar een heel gering gedeelte van wat the man in the street onder betekenis verstaat. Het overgrote deel daarvan lijkt volkomen ontoegankelijk te zijn voor wetenschappelijke studie. Bij huis-tuin-en-keukenwoorden kom je nooit verder dan omschrijvingen: ”een paard is een dier', ”makkelijk is niet moeilijk'. Maar wat die woorden betekenen, wát je zou moeten representeren blijft een raadsel. Dat vind ik jammer, ja. Het gaat om een van de meest wezenlijke elementen van het menselijk bestaan. Alsof je wel weet hoe de voortplanting functioneert, maar er niet achter kunt komen hoe de liefde werkt. En die liefde vind je toch belangrijker.'