Vrijheid

De hoek van Madison Avenue en de 56e Straat op Manhattan is eigenlijk een van de buitenwereld door een glazen overkapping afgeschermd plein. Het interieur is opgesierd met bamboebomen en grote stenen bakken met oranje reuzepompoenen. Een zijde grenst aan de IBM Galerij voor Wetenschap & Kunst, die 's ochtends om elf uur opengaat, maar de kas zelf is van acht uur tot 's avonds tien toegankelijk. Vandaar dat er tafeltjes staan met stoelen, als in een café, dat de ruimte verwarmd is, kortom dat de kas wordt bevolkt door daklozen die van de koude nacht proberen bij te komen. Het is half tien.

Omdat volgens de gangbare mening zwervers en Wetenschap & Kunst niet samengaan heeft IBM bewakers in dienst genomen om de daklozen in toom te houden.

Links zit een oude vrouw met drie overjassen. Ze heeft een kruiswoordpuzzel uit een vuilnisbak opgediept en vult die hardop in. Naast mij een man die als voorwendsel papieren en boeken op zijn tafeltje heeft gelegd. In werkelijkheid zit hij te dommelen. Een van de bewakers loopt langs zijn tafeltje, bukt zich en ziet dat hij echt zijn ogen gesloten heeft. Hij slaat hard met zijn vlakke hand op het tafeltje. De intellectuele zwerver schrikt op en excuseert zich. Hij weet dat het verboden is in een openbare ruimte in slaap te vallen. Terstond begint hij te schrijven.

Sommigen hebben hun overvolle plastic tassen naast hun stoel gezet. Ze liggen languit achterover met hun voeten in schoenen zonder sokken op de verwarming. De verwarming is onder het raam, waarachter de buitenwereld in eigen tempo doorraast: auto's, voetgangers; als ze even stilstaan, kunnen ze de zweetvoeten door de ruit heen ruiken.

Langzaam stroomt de wachtruimte voor Wetenschap & Kunst vol met keurige toeristen die, in verlegenheid gebracht door de aanwezigheid van de zwervers, stijfjes blijven staan.

Met zijn rug tegen het raam zit een jongen van nog geen dertig. Hij is sterk vervuild, kleren gescheurd, baard en haar verwilderd, maar zijn blik gloeit van haat en minachting voor zijn omgeving. Als een havik die een kreupel lam zoekt, speurt hij de binnenkomers af.

Hij heeft iets gevonden. Hij spreidt de vingers van beide handen alsof hij gaat opstijgen en sluipt op een echtpaar toe. Zonder een woord te uiten gesticuleert hij. De man is duidelijk geïntimideerd en grijpt naar zijn achterzak. Dan schiet de bewaker toe. Hij maakt de toerist duidelijk dat de zwerver niet het recht heeft anderen lastig te vallen. De havik trekt zich terug, sissend als een slang.

Even later spreidt hij weer zijn vingers en loopt schrijlings naar een tafeltje. Hij weet een sigaret te bietsen en een vuurtje. Hij rookt. Als enige, want roken is verboden. De bewaker snelt toe. De jongen kijkt hem aan en blaast dan triomfantelijk rook in zijn gezicht, wetend dat hem dankzij de aanwezigheid van zoveel keurige mensen niets zal overkomen.

Ik verlaat de kas. Buiten worden kalenders en boeken verkocht. Op tafels. Er is ook handel op kartonnen dozen. In attaché-koffertjes blinken horloges. Ik vraag naar de prijs.

“Welke?” vraagt de verkoper. Hij houdt zijn ogen meer op de omgeving dan op mij gericht. Ik wijs een gouden plak aan. Hij pakt hem en reikt hem aan. Handelarentruuk: eenmaal in mijn hand zal het me moeite kosten het ding terug te geven. Ik vraag nogmaals hoeveel.

Hij sist iets in mijn oor. Ik versta het niet. “Vijfentwintig”, sist hij geërgerd. Ik geef het horloge terug, maar hij klapt zijn koffer dicht en rent er als een haas vandoor. En met hem tientallen straatjongens. Als een troep eenden dat een schot gehoord heeft.

Op dat moment verschijnt er een atletische, besnorde man gehuld in een trui van Columbia University.

“Had ik ze bijna te pakken, die klootzakken.”

De kalenderverkopers doen of er niets aan de hand is. De stille trapt met zijn gympen de kartonnen dozen stuk.

Zo verwerf ik me een Gucci en twee uur later hoor ik dat het toch imitatie is, zij het Japans.