Expositie over stijlvolle typografie van Jan van Krimpen in UB Amsterdam; Statige boekletters, zwierige cursieven

Jan van Krimpen 1892-1958, tentoonstelling t/m 7 feb in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, Singel 425. Openingstijden: ma t/m vr van 11 tot 16u. Catalogus: ƒ 7,50.

Waar het in de typografie op aan komt, zo stelde letterontwerper en boekverzorger J. van Krimpen (1892-1958), is subtiliteit. En Mathieu Lommen, de samensteller van het overzicht van Van Krimpens werk uit het bezit van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, voegt er diplomatiek aan toe: “Voor wie dit uitgangspunt onderschrijft, valt er veel te genieten op deze tentoonstelling”. Nu, een sensationele opzet kan de UB inderdaad niet worden aangewreven. Als altijd wordt de bezoeker, nog vervuld van het straattumult, getroffen door een verstilde opstelling van boeken in oerdegelijke bruine uniformkaften en van bladen bezwaard met eigendomsstempels. Het is een tentoonstellingsrecept dat al decennia meegaat, onverschillig voor verbeeldingskracht en de mode van de dag.

Maar wie deert dat eigenlijk? Van Krimpen zou het waarschijnlijk allerminst bezwaarlijk hebben gevonden, zijn oeuvre heeft altijd elementen van tijdloosheid en archaïsme vertoond. Het opvallendst is dat bij zijn vroege kalligrafieën met hun versierde en gekleurde initialen in middeleeuwse trant. Deze sfeer is ook nog aanwezig in sommige uitgaven van Palladium (1917-1927). De uitgevers, Van Krimpens zwager Greshoff en de dichters Bloem en Van Nijlen, streefden ernaar teksten van vrienden 'met zorg en zoo deftig mogelijk te doen drukken' en wel 'onder persoonlijke leiding van J. van Krimpen op een goed Vaderlandsch papier' (uit een prospectus, 1923).

Weliswaar nam Van Krimpen gaandeweg afstand van anachronistische sier maar van een boekverzorging die de eigen tijd tot uitdrukking wilde brengen was hij niet gediend, ook niet als hij werkte met een eigentijds medium als de foto. De vele delen uit de serie De schoonheid van ons land - die de Hollandsche pracht van koorbanken, dijkwerken en oorijzers bezingen - gaf hij een bijna vooroorlogs aanzien met, binnen een goudgestempelde band, één, hooguit twee geëncadreerde foto's per pagina, zonder zweem van experiment.

Het prestige van Van Krimpen, vanaf 1925 tot aan zijn dood verbonden aan het Haarlemse grafische bedrijf Joh. Enschedé & Zonen, is, honderd jaar na zijn geboorte, nog onaangetast. Dat dit niet zonder reden zo is blijkt uit een bundeltje als Honderd Hollandsche Kwatrijnen (1932) met verzen van de dichter P. C. Boutens. Het is een toonbeeld van elegantie: mooi papier, goede proporties, een gracieuze titelpagina en een egaal parelgrijze zetspiegel. Van Krimpen benutte de instrumenten van de 'onzichtbare typografie', instrumenten die iedere typograaf ter beschikking stonden, maar waarmee slechts heel weinigen zo'n volmaakte eenvoud wisten te bereiken.

Nu moet gezegd worden dat Van Krimpen zich bij Enschedé in een bevoorrechte positie bevond. Via de uitgeverij en de drukkerij kreeg hij interessante opdrachten waarbij niet geknibbeld werd op aandacht en werkuren. Lommen signaleert in zijn catalogus zelfs een speciaal tariefregime voor de zetters en drukkers van Van Krimpen-werk. Daarnaast ontwierp hij voor de lettergieterij statige boekletters, zoals zijn Lutetia (1925), Romanée (1928, 1949) en Cancelleresca Bastarda (1934), die allerzwierigste cursief, waarvan de UB prachtige werktekeningen toont.

Handschrift vormde het uitgangspunt voor deze drukletter, een idee dat was ontstaan in samenspraak met zijn correspondent Stanley Morison. Deze Britse letterhistoricus was trouwens verrukt van Van Krimpens eigen handschrift. In de UB ligt een merkwaardig stuk, een fraai geschreven brief die Morison ongetwijfeld meer bekoord zou hebben dan de ontvanger destijds. Van Krimpen schrijft af te zien van deelname aan het Liber Amicorum voor zijn tachtigjarige collega S. H. de Roos (1877-1962). Gezien het leeftijdsverschil en de toch al broze verhouding tussen de beide nationale letterontwerpers is de toonzetting wel zó lomp - 'er is iets gebeurd' en 'als het gebeurde niet gebeurd was zou er waarschijnlijk toch niets van gekomen zijn' - dat de schoonheid van zijn schrift een vals trekje krijgt.

Uit de collectie van de UB treedt Van Krimpen naar voren als een formele, uiterst stijlvolle ontwerper met een hang naar deftigheid en select publiek. Aardig in dit verband zijn de niet eerder getoonde typografische bijdragen voor het Gezelschap Nonpareil. Vanaf de oprichting tot aan zijn dood was Van Krimpen voorzitter van dit mannenverbond dat net zo besloten als levenskrachtig is; nog altijd schijnt het te tafelen in de Industriëele Club, onder het uitwisselen van typofiele of minstens bibliofiele genoegens.

Hoewel de Van Krimpen-collectie in de UB interessante unieke documenten omvat is het nadeel van de opzet dat er nauwelijks wordt ingespeeld op de kennis die het publiek heeft van Van Krimpens werk: de cijferzegels voor PTT (1946), beroemd tot in het Engelse Lagerhuis; zijn Griekse letter Antigone waarmee nu al meer dan een halve eeuw lang alle gymnasiasten van Nederland opgroeien dankzij de Homerus-editie van De Bruyn & Spoelder (eerste druk 1937): zijn boekverzorging van de ENSIE (de Eerste Nederlandse Systematisch Ingerichte Encyclopedie, circa 1950). Mooie aanknopingspunten die onbenut bleven.

Zo is deze tentoonstelling, voorzien van een verzorgde catalogus (Sander Pinkse), vooral een hoffelijk gebaar naar de ontwerper, met de bezoeker in de bijrol van welwillende getuige.