De zwembadpas

Plagiaat, ook al zo'n moreel probleem waar men niet een-twee-drie uitkomt.

Als het waar zou zijn - en het wórdt vaak als een waarheid verkondigd - dat er in de wetenschap, kunst en literatuur niets origineels meer te verzinnen valt of dat onze moderne geschiedenis alleen maar een voetnoot is bij de beschaving van de Grieken en de Romeinen, dan bestaat plagiaat "eigenlijk' niet eens.

Toch doen er zich regelmatig gevallen van letterdiefstal voor die leedvermaak en verontwaardiging opwekken.

Dan lijken er plotseling weer duidelijke grenzen, rechten en definities van eigendom te bestaan.

Zijn die wel zo duidelijk?

Het is niet ongebruikelijk en haast vanzelfsprekend wanneer men in een gesprek - of op de radio, of in een krant, of in een boek - een bepaald woord of een bepaalde formulering tegenkomt, dat die uitdrukking en die formulering terugkeren in wat men op die dag vervolgens zegt of schrijft. Zoals ook in onze dromen woorden en begrippen terugkeren die de dag daarvoor werden opgevangen. Niet alleen woorden die een snaar aansloegen bleven daarbij sluimeren, ook toevallige woorden, losse beelden.

We maken er ons geen zorgen over. Toch is het plagiaat. Plagiaat waaraan we ons allen elke dag schuldig maken.

Hoezeer "de anderen' onze dromen ook maken, we houden ons voor dat het onze eigen dromen blijven.

Ook bewust laten we ons door invloeden sturen. Dan lezen we iets prachtigs - een slimme vondst, een helder idee, een overtuigende formulering - en dan roepen we bij ons zelf: Dat kan ik ook! Dat doe ik ook! Om vervolgens, door ons enthousiasme meegesleept, regelrecht voort te borduren op het werk van een ander.

Het kan leiden tot "variaties op een thema', maar ook tot letterlijke imitatie. Iedere jongeling die na het lezen van de Werther zelfmoord pleegde in blauwe rokjas en gele broek, iedere schooljongen die, honderdvijftig jaar later, na het lezen van Theo Thijssen op straat betrapt werd op het in praktijk brengen van de zwembadpas was in die zin een plagiator.

Het "onbewuste' en het "enthousiasme', ze dragen bij tot een verruiming van het plagiaat-begrip.

Ook historisch is er aan getornd. Er zijn perioden geweest waarin men volstrekt onverschillig stond tegenover plunderingen en ontleningen. Ik hoef niet te herinneren aan de meer recente citeerkunst en de intertextualiteit.

Iemands persoonlijke aanpak en stijl, daar gaat het om. Stof, motieven en ideeën - zelfs plots - het is maar een soort algemeen cultuurgoed waaruit men vrijelijk kan putten.

Toch vindt men het - over het problematische van plagiaat gesproken - heel wat minder erg wanneer een schrijver een stijl nabootst dan wanneer hij een idee pikt. Niet hij die een autobiografie op z'n Proustiaans schrijft, maar hij die een alinea uit Jo van Ammers-Küller kopieert moet hangen.

Klein talent, zou ik zeggen, dient juist geplunderd te worden. Dan is het nog ergens goed voor.

Bedenkelijker wordt het, dunkt me, wanneer een klein talent gaat pronken met de veren van een groot. Wanneer het plagiaat voortkomt uit verstarring en dood in de pot.

Maar wat als degene die met zijn hand in de kleine kas van een groot talent betrapt wordt zelf een groot talent is?

Ik zei het al, het is geen historisch, het is een moreel probleem.

Net als met goed en fout in de oorlog.

Wie er een beunhaas of een plagiaat-puritein op loslaat kan soms onverdiende, buiten-proportionele, maar nooit meer te herstellen schade aanrichten.

Veel plagiators bestempelen hun diefstal en luiheid lafhartig als geheugenverlies en bewondering, kortom, als de werkingen van hun "onbewuste' en hun "enthousiasme'. Maar het feit dat schurken zich beroepen op vervloeiende grenzen, betekent niet dat we die vervloeiende grenzen maar meteen moeten ontkennen.

Wie over goed en kwaad in de oorlog oordeelt, hij klage de beulen aan en niet de collaborerende angsthazen. Bij iets rekkelijks als plagiaat zijn juist de bangeriken het verachtelijkste soort.