De herdenking

Zaterdagavond belt een vriend op. Vraagt of ik morgen meega naar de bijeenkomst in de Rai ter gelegenheid van de Auschwitzherdenking. Hij gaat er heen voor de uitgebreide boekenstand, de bekenden en het broodje bij de koffie.

Ik ben er nog nooit geweest. Dit is een bijeenkomst met de overlevenden. Het herdenken van de familieleden die daar gestorven zijn doe ik op 4 mei. Wat heb ik daar nu te zoeken? Ik kom er niet uit en besluit met hem mee te gaan.

Mijn zoon David van vijf jaar gaat ook mee. Bij de toegangsdeur weigert hij naar binnen te gaan. Hij zegt dat het binnen niet lekker ruikt, dat hij het niet kan uitleggen. Nu ik zover ben gekomen wil ik niet meteen terug. Na enig soebatten bereiken we een compromis, hij blijft in de foyer voor de eetzaal, dan kan ik in en uit lopen. Hij zegt dat hij misselijk is en kijkt nogal ongelukkig. Er komt een vrouw op ons af, van de na-oorlogse generatie. Ze zegt tegen David: “Ga maar naar binnen, daar is mijn dochter, weet je nog wel?” En tegen mij: “Die kennen elkaar van het kamp.”

Mijn vriend heeft het ook gehoord. Hij denkt dat ze een zomerkamp bedoelt. Maar David is nooit naar een kamp geweest.

Ik ga nog even naar binnen, om de familieleden te begroeten die ik in de stroom bij de ingang meende te ontwaren. Ik loop door de eetzaal met aan beide kanten van het gangpad lange tafels vol mensen. Met alle tafels heb ik oogcontact. Ik zoek, maar zij zoeken ook. Kleding, uiterlijk, zelfs leeftijd lijken volkomen te vervagen als materiaal waaraan je elkaar kan herkennen. Alleen maar ogen die kijken naar andere ogen.

Op dat moment loop ik niet alleen meer hier en nu, maar ben ik ook daar, toen. Die lange tafels zijn de barakken waar ik tussendoor loop op zoek naar mijn familie. Ik ga gewoon door met zoeken. De familieleden vind ik niet. Bij de deur naar de foyer staat een man die me een kort ogenblik doordringend aankijkt. Rabbijn Soetendorp, denk ik en ben weer terug.

Ik loop naar David. Hij kan nog net uitbrengen dat hij moet overgeven en dan gebeurt het al. Hij wordt meteen vakkundig opgevangen door het eerste hulp-team.

Daarna gaan we weg. Als we voor broodjes bij Meijer naar binnen gaan zegt David opgelucht: “Wat ruikt het hier lekker!”