Bobrova bezweert en smeekt

ROTTERDAM, 29 JAN. De bezoekers van het Filmfestival Rotterdam putten zich in gesprekken tussen de voorstellingen door graag uit in het signaleren van stromingen en trends. Dat is aangename stof voor conversatie en verder geeft het festivalprogramma er alle gelegenheid toe. De jonge Franse film is ruim vertegenwoordigd, de onafhankelijke Amerikaanse ook en wat te denken van al die bijzondere films uit het Verre Oosten? Ook wees al menigeen op het grote aantal blinde en slechtziende personages dat ineens films van over de hele wereld bevolkt.

Wat mij betreft staat het 21ste Filmfestival Rotterdam in het teken van de gewezen Sovjet-Unie. Festivaldirecteur Emile Fallaux en zijn scouts zijn er in geslaagd binnen een halve week drie onvergetelijke "Russische' films te programmeren: begonnen werd met Bratan (Broer), een intens-poëtische film uit Tadzjikistan, daarna kwam Rebro Adama (Rib van Adam) van een Oekraïense regisseur en of dat nog niet genoeg bovenmatige kwaliteit was, wordt nude kroon gespannen door Oy, vy goesi van Lidia Bobrova.

Bobrova was een leerling van de Moskouse filmschool en van de filmstudio in Leningrad, maar ze situeerde haar film in het dorp aan de Russisch-Chinese grens waar ze werd geboren. In het interview dat het Cultureel Supplement afgelopen vrijdag afdrukte, vertelde Bobrova hoe authentiek de meeste elementen van Oy, vy goesi zijn. Haar eigen vader en drie broers stonden model voor de figuren over wie ze vertelt en de meeste rollen worden vertolkt door mensen die min of meer zichzelf spelen, ook het gezelschap ex-gevangenen die vluchten in alcoholisme, vrijgekomen maar gedoemd tot levenslange opsluiting in de marge van een toch al marginaal bestaan.

Die authenticiteit leidde echter niet tot een documentaire stijl. Bobrova roept op, bezweert, smeekt en treurt met haar camera en ze doet dat op strikt persoonlijke manier. Grauw grijs-wit zijn haar beelden, bewegelijk, woedend en dan ook weer uitgelaten. Haar aandacht gaat in de eerste plaats uit naar de motoriek van haar figuren, en naar hun mimiek, hun reacties op elkaar, hun vermoeide armen, hun verweerde gezichten waar het gebrek vaak van af te lezen valt. Er wordt geschreeuwd, gewanhoopt, gehuild, maar ook kan er plotseling worden uitgebarsten in een wilde dans.

Aan het slot van de film blijkt zelfs dat fundamentele uitzichtloosheid geen vat hoeft te hebben op elf jaar lang gefnuikte liefde:“Ik kan nog een baby van je krijgen” roept fier een vrouw tegen haar net uit een strafkamp teruggekeerde zwager. Ze smijt haar miezerige wettige echtgenoot in een hoek en stapt de deur uit. Ze gaat haar ware liefde achterna, dat hij kansloos is deert haar niet.

"Oy, vy goesi' is een regel uit het weemoedige lied dat telkens wordt aangeheven bij de klanken van een accordeon. Instrument en lied zijn het enige dat overbleef van de vader die ooit zo trots was op zijn drie, inmiddels elk door het leven beurs gebeukte zoons: "Hé gans, wilde vogel, zeg mij mijn lot in deze wereld' luidt het refrein en Bobrova's film geeft een miserabel antwoord op deze hoopvolle bede.

Het Rotterdamse filmfestival blijft zich manifesteren als een grabbelton zonder nieten. Lijn heb ik nog niet ontdekt in het aanbod, of het moet zijn dat er nauwelijks films worden vertoond die niet op de een of andere manier de moeite waard zijn. Want ook al valt Tengenrin sahil van Choymbolis Zumdaan uit Mongolië voor een Nederlands publiek inhoudelijk niet te volgen omdat hij te specifiek aansluit bij Mongoolse riten en geschiedenis, toch is zo'n film onweerstaanbaar, door zijn kleuren, beelden en personages die de aandacht voortdurend gespannen houden.

Op A idade maior, de beeldschone film waarmee de Portugese filmmaakster Teresa Villaverde Cabral knap gestileerd het effect oproept van de de vuile, in Portugal verzwegen koloniale strijd in Mozambique, komen we uitgebreid terug wanneer hij zijn reguliere première in de Nederlandse filmhuizen beleeft.