Voorn peinst niet over internationale come-back

KNEGSEL, 28 JAN. Er is maar één ruiter die tijdens een concours met de plumeau enige malen per dag zijn glanzend geschilderde dekenkisten afstoft in de stal: Albert Voorn. Voorn is een perfectionist en hij verzorgt de uiterlijkheden van zijn paarden, zijn stal en hem zelf met de fanatieke inzet die hem in de springsport bijna de wereldtop bracht. Bijna de top en juist dat "bijna' zit Voorn dwars. Zo dwars dat de kaars is opgebrand.

Zijn karakter getrouw gooide springruiter Voorn in november al zijn grieven aan de voeten van bondscoach Hans Horn en verliet daarmee het internationale strijdperk van de sprintsport. Dit weekend verscheen Voorn weliswaar weer aan de start van het nationaal concours te Lisse, maar het is te vroeg om conclusies te trekken. Voorn ziet zijn start op nationale wedstrijden in geen geval als een come-back. “Het uitbrengen van paarden in wedstrijden is slechts een consequentie van mijn beroep als ruiter, trainer en instructeur,” zegt hij strijdbaar, maar met gelaten ondertoon.

De ironie wil dat juist Albert Voorn in Nederland altijd al als een groot springtalent is herkend. Zijn aandacht voor een correcte en fraaie rijstijl, zijn gevoel voor details en zijn ijzeren discipline en doorzettingsvermogen zijn de meest in het oog springende kenmerken van het talent van Voorn. Maar naast zijn talent is ook Voorns rechtlijnige, onbuigzame karakter niet over het hoofd te zien. En juist dat karakter maakte dat Voorn het niet gemakkelijk gehad heeft in zijn carrière als springruiter.

Anderhalf jaar geleden, moe geworden van het zoveelste paard dat de hooggespannen verwachtingen net niet waarmaakte, gaf Voorn er al een keer de brui aan en besloot hij zich geheel op de training van renpaarden te richten. Hij keerde echter op zijn schreden terug toen hij nieuwe mogelijkheden zag in het contact met Cees van Opstal, eigenaar van springpaarden en vierspanpaarden. Nu, na zijn laatste woordenwisseling met Horn en de onafwendbare breuk met zijn meest recente paardeneigenaar, heeft Albert Voorn zich met niet aflatende energie opnieuw in de andere wereld van volbloeden, renbanen en eigenaren gestort.

Merkwaardig genoeg vindt hij het leuk, hoewel hij zijn rijkunstige kwaliteiten helemaal niet kwijt kan. Voorn: “Een uur tijd steken per dag in een springpaard is nog niets. Bovendien komt bij het echt optimaal trainen van een springpaard al het werk helemaal op mij alleen neer. Het rijden van een renpaard stelt rijkunstig niets voor, je bent er voornamelijk conditioneel mee bezig. Gek genoeg vond ik dat meteen al een verademing. Een gemakkelijk te paard zittende stagiaire kan mijn renpaarden mee uit rijden, dan is de training even goed als wanneer ik het zelf doe. Na al die jaren intensief trainen voor de springsport, is er een zware belasting van mij afgevallen met dit werk.”

Voorn vindt dat hij in de anderhalf jaar uitstel van zijn eerdere beslissing wel leuke momenten heeft gekend, maar te weinig in verhouding met de energie die hij in zijn sport stopte. “De zware landenwedstrijden winnen van Aken en Rotterdam, tweede worden in Calgary, het is niet niks, maar voor mij toch onvoldoende om de springsport vol te kunnen houden. De ergenis overheerst. Ik heb het niet kunnen verkroppen dat ik geen deel uitmaakte van het team dat goud won tijdens de EK, ondanks alle trainingen en voorwedstrijden. Maar bondscoach Horn kan ik het niet verwijten: hij bracht het goud winnende team mee naar huis en heeft het in principe dus goed gedaan. Dat vervolgens naar de finale van de serie landenwedstrijden in Lanaken en naar Calgary niet de sterkste formatie mee ging, omdat Horns eigen ruiter Lansink met Libero een tweede paard inzette om het betere paard Egano te sparen met het oog op individueel gewin, dat neem ik Horn wel kwalijk. Nog steeds, daar doe ik geen enkele concessie in. Dat standpunt, gegeven het simpele door mij geconstateerde feit dat ik te vaak tweede word in plaats van eerste, maakt dat de internationale springsport voor mij niet al die offers meer waard is.”

Niettemin zegt Voorn nog steeds geen "nooit'. “Ik heb er genoeg van figurant te zijn. Ik beleef geen genoegen meer aan het meerijden in de top, ik wil als hoofdrolspeler een reële kans hebben op winnen. Als ik ooit in de omstandigheden raak dat ik een paard op stal heb waarmee ik Milton of Egano net zo gemakkelijk zou kunnen kloppen als zij mij, rijd ik de arena waarschijnlijk wel weer binnen. Maar ik ben niet meer op zoek naar dat paard en steek daar mijn laatste gulden niet meer in. Die instelling heeft mij verbroken verhoudingen opgeleverd met Horn, Lansink, Van Opstal en nog enkele anderen. Maar ik ben tenminste eerlijk tegenover mezelf geweest. Hoe moeilijk ook, dat is mij alle deze ellende waard.”