Uitstraling

Toen ik het verhaal van Leen Pfrommer (NRC van zaterdag jongstleden) de eerste keer had gelezen, dacht ik dat de oude rot volkomen gelijk had.

Wat willen die Veldkamp en die Van der Burg en die Bos nou? Randstadjongens met grote bekken. Geef mij die plattelanders Zandstra en Ritsma maar. Die hebben veel van Pfrommer opgestoken en benaderen hun sport via hun benen en lichamen zonder een coach aan het kruis te nagelen, die als enige makke heeft dat hij als oud-militair van een strenge aanpak houdt en van jongelui die met een stropdas om aan het slotdiner verschijnen.

Omdat haastige oordelen al veel kwaad hebben veroorzaakt en ik ook geruime tijd aan de rand van Den Haag heb doorgebracht, wilde ik - geheel in Pfrommers geest - niet over ijs van slechts een enkele nacht gaan. Ik las het interview dus nogmaals. En toen kwam het eerste spoortje twijfel langs de hals omhoog gekropen. Waarom wil Leen zo verschrikkelijk graag zijn vroegere schaatsfunctie terug hebben? Waarom zegt hij zichzelf zo voortreffelijk te vinden? Waarom zo'n malle mededeling, dat hij "het meeste van alle leden' aanwezig is op de zittingen van de Nederlandse schaatstrainersvereniging?

Hoe zit het met zijn toegepaste psychologie? Op een gegeven moment zegt hij, dat een topper "meer is dan iemand die zijn tak van sport beheerst'. Inderdaad: hij moet iets extra's hebben. Maar wat is dat dan? Volgens Pfrommer gaat het om uitstraling. En dan komt het merkwaardige zinnetje "dat probeer ik de jongeren duidelijk te maken'. Maar ik ben van mening, dat uitstraling iets is dat niet kan worden geleerd, zelfs niet door zo'n toegewijde en geroutineerde coach als Leen Pfrommer. Je hebt het of je hebt het niet. Ard en Keessie hadden het in ruime mate, Harm Kuipers had het niet, al werd de laatste ook wel degelijk wereldkampioen. Experts zijn het er over eens dat André Agassi sportief gezien uit zijn tenniscarrière meer zou kunnen halen als hij mentaal anders in elkaar zou steken. Toch barst hij van de uitstraling. Hetzelfde geldt voor Henri Leconte. Het is vooral een kwestie van het bezit van een fluïdum, dat van de speler naar de toeschouwer overslaat en dat de laatste de overtuiging geeft dat het de moeite loont speciaal op hem te letten.

Ik geloof onmiddellijk dat Pfrommer zijn pupillen kritisch bekijkt en zweep en suikerbrood beide in zijn directe nabijheid houdt. Dat moet ook, want met woorden van lof alleen is nog nooit een topsporter ontstaan. Hij mag diep in zijn hart zichzelf ook best superieur vinden aan de andere trainers, maar dat hij openlijk collega Ab Krook een douw geeft, omdat die de Sport Hochschule heeft afgemaakt, dat doet onsympatiek aan. Ook de tirade waarin Abe Lenstra wordt opgevoerd, vraagt om nuancering. “In het westen vonden medespelers hem een slappe Fries en een eigenwijze kerel”. Dat laatste klopt, maar het eerste niet. Bij mijn weten werd Abe geen slapheid verweten, wel een zekere afstandelijkheid. Hij ging niet stappen met de ploeg en had niet de grote waffel van de Amsterdammers - om Hagenaars ging het toen niet. Maar slap? Nee. Een eigenheimer, die overigens aardig wist wat hij wilde en vooral wat hij niet wilde.

Och, misschien moet men toch bij Pfrommer uitkomen. Hij is een man van de oude stempel, wat voors en tegens heeft. Het Haagse drietal kan wellicht best een beetje stijl gebruiken en Leen moet zich realiseren dat de zestiger en zeventiger jaren allang voorbij zijn en dat de strenge gezagsverhoudingen in de schaatssport van toen nu niet meer te handhaven zijn.