Stille revolutie gaande in het Verre Oosten

Er is een stille revolutie gaande in het Verre Oosten. De Associatie van Zuidoostaziatische landen (ASEAN), 25 jaar geleden opgericht als dam tegen het communisme, van waarachter de Amerikanen hun zwaar geschut op Vietnam konden richten, drukt de vroegere vijand aan de borst.

Tijdens de topconferentie van de Zes (Indonesië, Thailand, de Filippijnen, Maleisië, Brunei en Singapore) zijn vandaag, op de laatste dag, Vietnam en Laos toegelaten tot het Verdrag voor Vriendschap en Samenwerking, het wachtlokaal voor lidstaten. De gastheer, premier Goh Chok Tong van Singapore, had zijn bondgenoten tevoren op het hart gedrukt dat het handhaven van “oude posities” neerkwam op het “stranden in het zand des tijds” en daar waren de andere vijf leiders het van harte mee eens.

Behalve de verzoening met de communistische buren nam de ASEAN-top een cruciale beslissing op economisch terrein. In de slotakte, de Verklaring van Singapore, is een vrijhandelszone (ASEAN Free Trade Area - AFTA) vastgelegd, die op 1 januari 1993 begint en in 2008 moet zijn voltooid.

De ASEAN was een kwart eeuw lang weinig meer dan een discussieclub met het anti-communisme, lees: anti-Vietnamisme, als enige agendapunt. De leden bezorgden elkaar slechts op zeer beperkte schaal economische voordelen. In tegenstelling tot de Europese Gemeenschap groeide de ASEAN nooit uit tot een hecht handelsblok. De geschiedenis houdt van ironie: nu het grote gevaar is geweken en Vietnam, dat nog altijd communistisch is, zelfs als aanstaande partner wordt beschouwd, krijgt de ASEAN ook als economische entiteit vaart met de instelling van een vrijhandelszone.

Het Vietnam waar de ASEAN-landen - dat wil zeggen, de meest gretige daarvan: Maleisië, Singapore en Thailand - op zitten te vlassen heeft zelf een opmerkelijke metamorfose ondergaan zonder welke de toenadering tot de buurlanden niet had kunnen plaatshebben. Op politiek terrein deed Vietnam in 1989 de grootste tegemoetkoming aan de buitenwacht in zijn 14-jarig bestaan door zijn troepen uit het buurland Cambodja terug te trekken. Niet uit militaire motieven - het Vietnamese leger was de situatie in een groot deel van Cambodja meester - maar om tactische redenen (de internationale druk) en uit financieel-economische noodzaak.

Op economisch terrein had de communistische partij van Vietnam al in 1987 ingezien dat het systeem van verregaande collectivisatie en nationalisatie een doodlopende weg was. De militaire operatie in Cambodja legde bovendien een zware hypotheek op de schatkist, verergerd door het opdrogen van de hulpstroom uit de Sovjet-Unie. Hanoi introduceerde hierop de doi moi, de economische hervorming, die 's lands staatshuishouding door meer vrijheden op het gebied van handel en investeren weer enigszins in het gareel bracht. Vietnam lokte er buitenlandse investeerders mee. Maleisië bij voorbeeld zag de bilaterale handel met Vietnam stijgen van 16 miljoen dollar in 1987 tot 53 miljoen dollar in 1990 .

De vraag is nu hoe Washington zal reageren op de toenadering tussen de ASEAN en Vietnam. De Amerikanen volharden nog altijd stug in hun embargo tegen Vietnam - dat tegen Cambodja is deze maand opgeheven - maar zien met lede ogen toe hoe links en rechts toenadering wordt gezocht tot Vietnam. Japan en met name Frankrijk doen al jaren weer zaken met Hanoi en nu gaan ook de ASEAN-landen in zee met de wettige erfgenamen van Ho Chi Minh. Dat doet zeer in het Witte Huis.

Pijnlijk voor Washington is ook het door sterke ASEAN-landen gesteunde plan van Maleisië voor een oostwaartse uitbreiding van de economische samenwerking van de ASEAN, met Japan, Zuid-Korea en zelfs China, onder de noemer Oostaziatische Economische Liga (EAEC). Deze zou ophouden bij de datumgrens, daar waar de Verenigde Staten van Amerika beginnen. Indonesië heeft zich inmiddels opgeworpen als de belangenbehartiger van de VS; president Soeharto zei gisteren in zijn toespraak in Singapore de EAEC als overbodig te beschouwen. De APEC (Aziatisch-Pacifische Economische Samenwerking) is er immers al, zo redeneert Jakarta en daaraan nemen behalve de landen van de ASEAN en die in Oost-Azië wel de VS en ook Australië en Nieuw Zeeland deel.

Ook de EG zal een nauwere economische samenwerking in het Verre Oosten met gemengde gevoelens gadeslaan. Het openen van nieuwe markten (Vietnam) biedt een groot perspectief, maar indien de ASEAN overgaat tot een vrijhandelszone en daar ook nog derden toe uitnodigt of als in het voor Europa "ergste geval' de EAEC van de grond komt, zijn de Twaalf duidelijk in het nadeel.

China liet gisteren alvast weten zeer geïnteresseerd te zijn in samenwerking met de ASEAN. Peking is, in de woorden van het ministerie van buitenlandse zaken, de Zes vooral dankbaar voor “de inspanningen zonder ophouden voor het tot stand brengen van een redelijke politieke regeling in de kwestie Cambodja en het handhaven van de vrede en stabiliteit in de regio”. Japan heeft al eerder te kennen gegeven de economische samenwerking in Oost-Azie te willen intensiveren. Het Japanse bedrijfsleven heeft een groot deel van Zuidoost-Azië al op sleeptouw genomen en zou bij een voortgaande integratie die leidende rol kunnen versterken.

Tot zover alles goed voor de ASEAN, maar dit betekent nog niet dat de associatie zonder oneffenheden haar zilveren bruiloft kan vieren. Om te beginnen zijn niet alle feestvierders even bemiddeld, sterker nog, de inkomensverschillen tussen de ASEAN-staten zijn zeer groot. De inwoners van de kleinste lidstaten, het oliesultanaat Brunei en Singapore, zijn rijk (een BNP van respectievelijk 15.390 en 10.450 dollar per hoofd van de bevolking), terwijl de Filippijnen en Indonesië met 700 en 490 dollar tot de armste landen ter wereld behoren. De andere twee landen nemen middenposities in. Binnen de ASEAN bestaat, in schril contrast tot de EG, geen enkel idee hoe deze inkomensverschillen tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht.

En op militair terrein breekt een hele nieuwe fase aan voor de regio. Het Amerikaanse leger trekt zich, daartoe door Manila gedwongen, nog dit jaar terug uit de Filippijnen. Washington breidt daarentegen zijn militaire faciliteiten in Singapore uit en maakt het verder gelegen India het hof, maar een compensatie voor de krachtige militaire aanwezigheid van de Amerikanen gedurende tientallen jaren is het niet. “Jarenlang hebben we een dure militaire paraplu gevormd, nu mogen de landen het zelf organiseren”, zo ongeveer luidt de redenering van de Amerikaanse regering, die zij ook op Japan en Zuid-Korea van toepassing acht.

De Filippijnse president Corazon Aquino, die vorig jaar de Senaat in eigen land tevergeefs trachtte te overreden de Amerikaanse bases te handhaven, pleitte gisteren voor een gezamenlijk verdedigingspact, maar de jarige associatie besloot vandaag zichzelf nog niet op een dergelijk forum te tracteren. Militaire samenwerking blijft “in beraad”. Onduidelijk is wie de nieuwe agressor zou kunnen zijn nu het communisme zo goed als verslagen is, maar de ASEAN-landen beseffen terdege dat de huidige vrede in het Verre Oosten zo weer voorbij kan zijn. In de woorden van de Maleisische premier Mohamad bin Mahathir: “De uiteindelijke uikomst van de nieuwe politieke en economische orde in de wereld is onzeker. We moeten bedacht zijn op elke mogelijke uitwas van deze nieuwe orde”.