Op weg naar de bank

Samen met de 22-jarige verdachte komen vier mannen de fraaie rechtszaal te Harderwijk binnen: zijn advocaat, mr. H. van der Meijden, twee begeleiders van het tehuis waarin de verdachte verblijft, en een verlegen om zich heen kijkende man van ongeveer dertig jaar. Deze man blijkt later de vader van een van zijn slachtoffertjes te zijn. Zij allen gaan op de eerste rij zitten, terwijl de verdachte voor de politierechter, mevrouw I. Olland, plaatsneemt.

De verdachte ziet er niet ouder uit dan een jaar of zeventien, achttien. Hij heeft een bol gezicht en kort geknipt haar, en zijn stevige bovenlijf gaat gehuld in een gestreepte trui. Om zijn enkels sluiten zware, zwarte schoenen waarmee hij steeds kleine, schoppende bewegingen maakt, vooral als hij aan het woord is.

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in zijn woonplaats, een Veluws dorp, “opzettelijk ontuchtig de penis van [het slachtoffer] in zijn, verdachtes, mond heeft genomen en/of met zijn, verdachtes, mond aan de penis van [dat slachtoffer] heeft gesabbeld en/of gezogen, terwijl genoemde persoon toen de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt”.

Tot zover de taal van de dagvaarding die de werkelijkheid enigszins versluiert: het slachtoffer was lang geen zestien, hij was nog maar vijf jaar toen het gebeurde op een meidag in 1990.

“Hoe ging dat?” wil de rechter weten. “Waar was u die dag naartoe?”

“Ik was op weg naar de bank om geldzaken te doen”, vertelt de verdachte. “Dat heb ik niet gedaan. Het kwam in gedachte: ik heb daar weer eens zin in. Toen ben ik gaan rondfietsen. Ik kwam op de plek waar het gebeurd is. Daar speelde een jongetje. Ik heb op zijn schouders een hand gelegd en hem de bosjes ingelokt. Tot mijn verbazing liep hij mee. Ik heb een beschutte plek gezocht en toen heb ik hem betast.”

“Betast…,”zegt de rechter, “en ook op zijn geslachtsdeel gezogen.”

“Ja.”

“U wist dat dat niet mocht. U bent al eens eerder betrapt.”

“Ja.”

“Begrijpt u dat zo’n jongetje daar erg van schrikt?”

“Ja. Maar op zo’n moment besef je dat niet. Het is altijd achteraf-gepraat met mij.”

“Het moet maar eens vooraf-gepraat worden. U heeft een behandeling nodig. Met die gevoelens kunt u toch niet door blijven lopen. Is er daarna weer zoiets gebeurd?”

“Ja.”

Tot dusver zijn de zinnen er bij de verdachte vloeiend uitgekomen, de woordkeus was onberispelijk. Daarna worden de antwoorden korter en moeizamer. Hij blijkt een laag IQ te hebben, grenzend aan zwakbegaafdheid. Zijn eerste antwoorden moeten in zijn geheugen geslepen zijn door de talloze sessies met therapeuten, want de rechter vergist zich: hij staat al sinds die fatale dag in 1990 vrijwillig onder behandeling in een gezinsvervangend tehuis.

Op verzoek van de advocaat komt de coördinator van de behandeling toelichten hoe de verdachte later opnieuw in de fout kon gaan. Een jaar lang had men hem geen enkele bewegingsvrijheid gegund. Zijn gedrag was zo rustig geworden dat hij ten slotte een kwartiertje per dag vrij kreeg. Maar hij moest wel aan zijn begeleiders opgeven waar hij heenging. In die tijd mocht hij af en toe ook weer naar zijn ouders gaan.

Tijdens zo’n proefverlof kon hij het weer niet laten. Precies een jaar na dit incident lokte hij een jongetje en een meisje van tien jaar mee in de bosjes. Eén van hen greep hij vast, maar de ander begon zó te gillen dat de verdachte het op een lopen zette. De ouders hebben dit alles gemeld bij de politie, maar zij wilden in het belang van hun kinderen geen aangifte doen.

“We hebben daarna ons behandelingsbeleid verscherpt”, zegt de coördinator.

“Kan het opnieuw gebeuren?” vraagt de rechter. “Het is een vervelende vraag, maar ik wil het toch weten.”

“Ik kan niet koffiedik kijken”, zegt de coördinator. “Een psychiater en een psycholoog hebben hem onderzocht. Zij zijn daar niet optimistisch over, maar ze zeggen niet dat het onmogelijk is. Hij moet in ieder geval nog enkele jaren behandeld worden.”

“Blijft hij al die tijd in een gesloten unit?” vraagt de rechter bezorgd.

“Ja. Hij krijgt geen enkele individuele vrijheid.” De coördinator voegt eraan toe dat de verdachte beter naar een andere inrichting kan worden overgeplaatst. Het tehuis waar hij nu verblijft, is eigenlijk alleen voor jongeren tot achttien.

De officier van justitie, mevrouw A. Steenbeek, wendt zich opeens tot de verdachte. “Staat hij er achter?”

“Ja.”

Zijn advocaat vraagt hem: “Hoe lang denk je dat het zal duren?”

“Ik heb tegen mijn therapeuten altijd gezegd: ach ja”, zegt de verdachte.

De rechter kijkt onverwacht naar die onopvallende meneer op de eerste rij, de vader van het slachtoffer. “U bent hier als toehoorder?”

“Ja”, zegt hij dof.

De officier, een jonge vrouw, begint aan haar requisitoir. “Hij zal zich ervan bewust moeten zijn dat hij het slachtoffer iets verschrikkelijks heeft aangedaan. Dit kan absoluut niet door de beugel. Als zo’n gedachte weer bij hem opkomt, moet hij eerst maar tien straten omfietsen.” Ze zegt dat ze het moeilijk vindt om een eis te formuleren. “Maar ik kom toch tot een forse eis: twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar.”

De advocaat van de verdachte vindt het, opvallend genoeg, een te lichte eis. Hij verzoekt de rechter een bijzondere voorwaarde in het vonnis op te nemen: verplichte opneming van drie jaar in een inrichting. Tot dusver was het verblijf van de verdachte in een inrichting immers op vrijwillige basis. “Met deze straf kunnen wij de maatschappij de grootste zekerheid geven”, zegt Van der Meijden.

De rechter willigt zijn verzoek in en neemt verder de eis van de officier over. Ze kijkt de verdachte doordringend aan. ”Als je het in je proeftijd nog eens doet, is het met je gebeurd. Dan vindt niemand je meer aardig en moet je de gevangenis in. En je moet die behandeling blijven volgen. Doe je best!”

“Dat zal ik doen”, zegt de verdachte.

Later, in de wachtkamer, staan de begeleiders om hem heen. Hij zit onderuit gezakt op een stoel, de spanning is nog niet uit zijn bleke gezicht geweken.

“Kom”, zegt een begeleider, “het is goed afgelopen, we gaan een kop koffie drinken.”

De vader van het slachtoffer heeft dan al geruisloos het gebouw verlaten.