Niemand is "dol' op ongeneeslijke ziekte ; Krant mag vrijplaats voor uitwisseling van opvattingen, spot, satire en frisse ruzies

Op de voorpagina van deze krant stond gisteren een foto van de geblakerde muur van een moskee in Amersfoort die, zoals de kop eronder vermeldde, "extra surveillance' behoeft wegens een bomaanslag enkele nachten geleden. Kennelijk heeft de golf van vreemdelingenhaat, waardoor de ons omringende buitenlanden al eerder overspoeld zijn, nu ook ons land bereikt. Voor mij kreeg dat trieste besef een dubbele betekenis omdat, nu bijna een week geleden op de Achterpagina (NRC Handelsblad van 22 januari), een vergelijkbare uiting van haat werd gepubliceerd. Het betrof niet, zoals bij de moskee, nieuws waarvan verslag werd gedaan, maar een opiniërend en - gezien de plek waar het stond - misschien wel lollig bedoeld stukje.

Dit is een liberale krant. Mits goed geschreven en, indien nodig, op feiten gebaseerd, zijn de meest uiteenlopende meningen welkom. Dat vervult ons als redacteuren met trots en het geeft ons als schrijvers een veilig gevoel: de wereld om ons heen kan tot fossiel fundamentalisme vervallen, deze krant blijft een vrijplaats voor eigenzinnigheid, voor een levendige uitwisseling van opvattingen, voor spot en satire, voor verfrissende scheldpartijen en fikse ruzies. Desnoods voorbij de grenzen van de betamelijkheid - als dat begrip uit de oude doos ons überhaupt nog iets zegt. Want grenzen overschrijden, dat moet soms juist en dat waarderen we.

Nu het stuk op de Achterpagina van deze krant: "Tam-Tam aan het Aidsfront'. Het valt me zwaar de inhoud weer te geven. Misbruik makend van ons hooggeprezen liberalisme, werkte de schrijver van het stuk op verwarde wijze de theorie uit dat minderheden baat hebben bij discriminatie. Juist die verschaft hun een bijzondere positie. De theorie is bekend en tot op zekere hoogte plausibel maar voorbij een zeker punt wordt zij absurd en kwaadaardig.

Het stuk leidt via een reeks tendentieuze en ongefundeerde observaties, en enige onduidelijke citaten tot de conclusie dat homo's belang hebben bij hun uitzonderingspositie en “...daarom dol (zijn) op hun "homoziekte'...”. De schrijver beweert ondermeer: “Het HIV-virus maakt het leven van de individuele homoseksueel er niet gemakkelijker op, maar de homobeweging doet er (...) zijn voordeel mee” en ook: “de homobeweging (kan) wel een bulderend kanon gebruiken. Dat kanon heet aids”. En: “(Homo's) voelen zich miskend, gediscrimineerd, en claimen allerlei rechten op grond van de gedachte: iedereen is gelijk, maar wij zijn toch "anders' (lees: "een tikje beter').”

Ik zou willen dat ik beschikte over een waardigheid die zich kan meten met de infaamheid van dit soort beweringen en een welbespraaktheid die de onbeschoftheid met gelijke munt weet te betalen. Jammer genoeg ben ik tot niet meer in staat dan een stuntelig verweer, dat ik nog à contrecoeur voer bovendien. Modder weerlegt zichzelf, hoop je. Maar waarom heeft niemand in dit land vol dominees tot nog toe al was het maar een aanzet van protest laten horen tegen deze uiting van homohaat?

Beseft dan niemand dat als homo's "dol' zijn op aids, ("zij het niet als patiënt' staat er nog fijnzinnig achter), bij voorbeeld joden hebben staan juichen over de holocaust (zij het niet de vergaste slachtoffers zelf) en zwarten over hun onderdrukking in Zuid-Afrika? Beseft dan niemand dat deze "visies' een vrijbrief vormen voor haat en geweld? Het zou ondenkbaar zijn deze twee laatste beweringen in de krant te lezen. Toch is er geen principieel verschil tussen de ene en de andere bewering.

Waarom zegt niemand dan iets? En waarom stond dan dat stuk in de krant? Het is een angstwekkende vraag, omdat het antwoord klassiek is: het stuk gaat over homoseksuelen. Daarom heerst er stilte. Nu het zover gekomen is en ik die stilte doorbreek, heb ik geen behoefte om onder stoelen of banken te steken, dat ik even dwingende als persoonlijke redenen heb me gekwetst en in de steek gelaten te voelen. Maar het zal duidelijk zijn dat ik niet de enige ben.