Moderne Westerse mens banger voor techniek dan voor natuur

Tot voor kort liepen beleid en cultuur in ons land aardig in de pas. L.J.H. van Spengler heeft gelijk als hij schetst hoe vooral na de Tweede Wereldoorlog de doeleinden van cultuur en beleid gemeenschappelijk en dominant aanwezig waren (NRC Handelsblad, 27 januari). Daar ging echter een lange periode aan vooraf waarin de cultuur niet zozeer het draagvlak was van overheidsbeleid als wel vorm en inspiratie ontving uit een duidelijke beleidsvisie. Tegenwoordig lijkt het omgekeerde het geval te zijn. Het beleid loopt niet meer vooruit op een cultuur die het gestalte wenst te geven maar hobbelt op zijn best er achter aan. Soms is het nog erger en lijkt het beleid één kant op door te hollen terwijl de cultuur zich al lang in een andere richting beweegt. Dit globale proces kan geïllustreerd worden aan de contraproduktiviteit van één beleidsterrein, dat van de technologie-ontwikkeling.

"La peur en occident' van de Franse historicus Jean Delumeau is één van de verrassendste boeken die ik recent heb gelezen. In een weids panorama schetst Delumeau hoe vanaf ongeveer het midden van de veertiende eeuw de angst West-Europa meer en meer in zijn greep kreeg. Deels kan dit worden gerelateerd aan de komst van de pest in onze contreien; vaak vergeten we dat in bepaalde streken de halve bevolking hierdoor werd uitgeroeid. Deels heeft de opkomst van allerlei angsten ook te maken met een veel moeilijker exact te traceren ineenstorting van het middeleeuwse werelbeeld. Hoe het ook zij, Delumeau laat overtuigend zien hoe het dagelijks leven aan het eind van de middeleeuwen en in het begin van de moderniteit steeds meer werd ervaren als vol bedreigingen en gevaren. De angstgevoelens werden onder andere via de inquisitie in het algemeen en de heksenvervolgingen in het bijzonder op afschuwelijke wijze afgereageerd.

Aan het eind van zijn boek laat Delumeau zien hoe de angsten langzaam afnamen als gevolg van een bewust gevoerd beleid door de elites in kerk en staat. Hun toenemende greep op de bevolking, die in kritische hedendaagse analyses vaak met begrippen als normalisering en disciplinering wordt beschreven, had als keerzijde een vermindering van vrees waaronder mensen gebukt gingen. Hiernaast, zo suggereert Delumeau, zorgde de vooruitgang die wetenschap en techniek beloofden en langzaam realiseerden, ook voor een geleidelijk wegebben van angst en onzekerheid. De belofte van maakbaarheid van leven en maatschappij leek de Westerse mensheid te vrijwaren van de grillen van de natuur en de dood.

Het duidelijkst wordt deze belofte gedaan in "Het Nieuwe Atlantis' van Francis Bacon. In deze vroeg zeventiende-eeuwse utopie beheerst de leidende wetenschappelijke elite, die als een pure technocratie functioneert, via de technologie het leven en de natuur. Het eerst wat ze bereikt heeft is "de verlenging van het leven' en "de vertraging van de ouderdom'. Niet alleen deze wensdromen van de moderne mens zijn in het Nieuwe Atlantis al in vervulling gegaan. Ook de DNA-technologie is er aanwezig. "Het overplaatsen van een soort in een andere' en "het maken van nieuwe soorten' behoren tot de biotechnologische verworvenheden waarover men op het utopische eiland al beschikt.

Bacons secretaris, Thomas Hobbes, kan model staan voor de meer maatschappelijke overwinning van de angst. In het wereldbeeld van Hobbes, die zichzelf als "een kind van de vrees' omschreef, draait alles om de vermijding van angst en onzekerheid. De weg die hij daartoe aanbeveelt is die van een sterke staat, de Leviathan, die van bovenaf het leven van zijn onderdanen op duidelijk afgebakende paden stuurt en beheerst.

Het is niet overdreven om met de Nederlandse vertaler van Nova Atlantis te stellen “dat de Westerse beschaving over het algemeen de richting is uitgegaan die Bacon voorstelde”. Dat dit ook voor Hobbes geldt heb ik in "Het Rijk van de Schaarste' proberen aan te tonen. Hier laat ik kort het licht schijnen op de door Bacon uitgestippelde technologische routebeschrijving.

Na Bacon werd er door een maatschappelijke elite op steeds uitgebreidere schaal een beleid gevoerd dat zekerheid en vooruitgang als overwinning van de angst aan het voortschrijden van natuurwetenschap en technologie koppelde. Dit begon al snel met de befaamde Royal Society in het zeventiende-eeuwse Engeland. Deze was uitdrukkelijk gemodelleerd naar de technocratische elite van Salomo's Huis uit het Nieuwe Atlantis. De wetenschappers van de Royal Society stelden met nadruk in hun handvest dat zij zich niet met religieuze en maatschappelijke twistpunten en problemen onledig zouden houden. Daar stond dan natuurlijk tegenover dat de maatschappij zich niet met hen zou bemoeien, hun alle vrijheid in hun wetenschappelijke activiteiten zou laten.

Een groot aantal van de technologische verworvenheden van het Nieuwe Atlantis zijn pas recentelijk gerealiseerd. Het zou overdreven zijn om te stellen dat de moderne cultuur al vanaf de zeventiende eeuw in z'n geheel gekenmerkt wordt door de visie op technologisch gerealiseerde maakbaarheid en zekerheid van Bacon. Maar dat er met succes door een aanvankelijk kleine elite een weloverwogen beleid in deze richting is gevoerd is zonneklaar. Condorcet, de grootste vooruitgangsoptimist en maakbaarheidsprofeet van de Verlichting, greep niet voor niets op Bacons Nova Atlantis als zijn belangrijkste inspiratiebron terug.

Ook al bereikt het Baconiaanse denken misschien pas na de Tweede Wereldoorlog dat beleid en cultuur perfect overeenstemmen, wat de visie op het belang van de autonome ontwikkeling van de techniek betreft bestond deze afstemming al veel eerder. Dick van Lente heeft voor ons land in zijn proefschrift "Techniek en Ideologie. Opvattingen over maatschappelijke betekenis van technische vernieuwingen in Nederland', laten zien dat de belangrijkste ideologische stromingen (liberalisme, socialisme, katholicisme en protestantisme) alle vier van mening waren dat de technologie zich ongestoord moest kunnen ontwikkelen. Het idee dat deze heilzame ontwikkeling niet kan en niet mag worden tegengehouden, wat overgaat in een bewuste bevordering ervan, bestaat nog steeds. Het beleid wordt nog steeds globaal door deze idee gedragen.

Cultureel lijken wij ons hiervan echter al enige tijd te hebben afgewend. Van Spengler heeft gelijk als hij stelt dat de gevaren van buitenaf voor ons nauwelijks meer lijken te gelden. Wij zijn tegenwoordig eerder bang voor de techniek dan voor de natuur.

Wat onze angst moest overwinnen en onze onzekerheid zou wegnemen, blijkt steeds meer gevoelens van vrees en onveiligheid op te roepen. Uit onderzoek is bekend dat slachtoffers van natuurrampen er na verloop van tijd psychisch heel wat beter aan toe zijn dan die van technologische catastrofes. Deze laatsten blijken nog jaren geteisterd te worden door onbeheersbare angsten. Daarnaast heeft de medische technologie Bacons droom inderdaad gerealiseerd. Dat hiermee de vrees voor de dood verdwenen of zelfs maar verminderd zou zijn zal niemand durven beweren. Cultuurcritici wijzen erop dat geen samenleving zozeer van de dood vervreemd is als de huidige. Dat tenslotte de ongebreidelde groei van de techniek niet los kan worden gezien van de vernietiging van ons leefmilieu lijdt ook weinig twijfel. Een kleine historische exercitie laat al zien dat de optimistische geluiden over de techniek uit de jaren zestig met een omgekeerd voorteken maar met dezelfde inhoud terugkeren in wat tegenwoordig over de milieucrisis wordt beweerd.

Het overheidsbeleid lijkt zich nog steeds weinig aan te trekken van deze signalen uit de cultuur. Technologie lijkt nog steeds op massieve wijze als een heilbrengende realiteit die onvoorwaardelijke en ongerichte steun verdient, te worden beschouwd. Een parallel met de eerste helft van de negentiende eeuw kan hier verhelderend werken. Toentertijd zag men de economie als een onafhankelijke werkelijkheid waarin men niet moest ingrijpen. Heel langzaam is hier verandering in gekomen. De economie bleek, althans in bepaalde opzichten, maatschappelijk redelijk stuurbaar (wat heel iets anders is dan maakbaar), er werden (overheids) instrumenten ontworpen die de sociale zekerheid gestalte begonnen te geven. Het lijkt noodzakelijk om in een veranderde culturele werkelijkheid op analoge wijze vandaag de dag aan een gericht technologiebeleid gestalte te geven.