Jurist: Goldreyer maakt weinig kans met schadeclaims

ROTTERDAM, 28 JAN. De Amerikaanse restaurateur Daniel Goldreyer, die vorige week miljoenenclaims indiende wegens smaad en contractbreuk betreffende de restauratie van Barnett Newmans schilderij Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III, maakt met zijn geldvorderingen weinig kans. Dat is de mening van mr. Th.M. de Boer, hoogleraar internationaal privaatrecht, na bestudering van de veertig pagina's tellende brief die aan een aantal gedaagden werd verstuurd door Goldreyers New-Yorkse advocaat.

De vorderingen zijn gedeponeerd bij een civiele rechter in de staat New York. De aangeschrevenen moeten binnen 30 dagen na dagtekening, 16 januari, schriftelijk of persoonlijk reageren.

De brief van de advocaat bevat een aantal ongerijmdheden, meent De Boer. Zo wordt in de tekst gesproken van contractbreuk, maar onduidelijk is welk contract dat betreft. Het oorspronkelijke contract met Goldreyer uit 1988 bevat een passage waarin staat dat arbitrage zou moeten beslissen in geval van onenigheid. Volgens De Boer is het daarom vreemd dat Goldreyer naar een civiele rechter stapt. De Boer denkt dat het zal loslopen met de bedragen: “Als een rechter al een uitspraak doet, moet het in Nederland ook nog worden bevestigd. Ik denk dat Goldreyer dit als dreigement hanteert en wil onderhandelen. Of hij mikt toch op een vonnis en wil dat dat tegen aantijgingen hier - of misschien zelfs uitspraken van een Nederlandse rechter - wegvalt.”

De brief van de advocaat gaat uitvoerig in op de redenen waarom de schadevergoedingen worden geëist en staat vol forse beschuldigingen. Zo worden hoofdrestaurateur E. Bracht van het Stedelijk Museum en de Amsterdamse kunsthistoricus prof.dr. E. van de Wetering er herhaaldelijk van beticht te hebben “samengezworen” om de Amerikaanse restaurateur in diskrediet te brengen. Zij zouden opzettelijk een campagne zijn begonnen van “valse en misleidende uitspraken” over Goldreyer en de restauratie. Van de Wetering wordt omschreven als iemand “die de publiciteit zoekt” en die “sensatiezucht” bij de pers teweegbracht met zijn “geschreeuw, gescheld en leugenachtige uitspraken”.

Dr. W.A.L. Beeren, directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, krijgt een claim van 25 miljoen dollar wegens “contractbreuk”. Hem wordt onder andere verweten dat hij publiekelijk zijn mond heeft gehouden “toen Bracht, Van de Wetering en anderen op radio, televisie en voor de nationale en internationale pers hun valse beschuldigingen uitten dat het schilderij vernietigd was door de restauratie.”

Pag 6:

Restaurateur verwijt critici "vijandige en jaloerse' houding

Ook zou Beeren de media niet goed hebben genformeerd over het feit dat hij het schilderij in goede en bevredigende conditie had ontvangen. Curieus is, dat dit juist een van de weinige dingen is, die Beeren bij herhaling heeft uitgesproken, al heeft hij altijd gezegd met een definitief eindoordeel te wachten tot het onderzoek bekend was. In december zei hij nog eens in de commissievergadering van de gemeente nog steeds achter het artistieke eindresultaat te staan, maar wel te vinden dat Goldreyer in zijn rapportage tekort was geschoten. Elders in de brief wordt ook verschillende malen benadrukt hoe de museumdirecteur bij herhaling heeft gezegd het eindresultaat “goed en bevredigend” te vinden. Volgens de brief van de Supreme Court zou Goldreyer er diverse malen bij Beeren op hebben aangedrongen de restauratie in het openbaar te verdedigen. Beeren zou dat hebben geweigerd.

Ook wordt de passage in het contract met Goldreyer aangehaald, waarin de restaurateur de ruimte krijgt om de restauratie naar eigen goeddunken uit te voeren.

Bracht zowel als Van de Wetering worden beschuldigd van een “vijandige en jaloerse” houding toen de keuze op Goldreyer als restaurateur was gevallen. Bracht zou, Goldreyer heeft dat al eerder beweerd, zelf graag de restauratie hebben uitgevoerd. Ook dat is merkwaardig, want Bracht heeft al in een vroeg stadium te kennen hebben gegeven dat zij een dergelijke ingrijpende restauratie niet zelf kon uitvoeren. Daarop is naar een restaurateur buiten het museum gezocht. Ook Van de Wetering zou volgens het schrijven “verbitterd” zijn, omdat het Stedelijk Museum hem na de beschadiging had “afgewezen en gepasseerd” en hem niet als expert erbij had geroepen.Over Bracht wordt onder andere geschreven dat zij in 1986, nadat het schilderij aan flarden was gesneden door een vandaal met een stanleymes, “zonder medeweten van de directeur van het Stedelijk museum” een materiaalonderzoek heeft laten instellen door het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap in Amsterdam. Het laboratoriumrapport, dat op 2 juni 1986 verscheen, wordt in de brief omschreven als “The Secret Lab Report”, het geheime laboratoriumrapport. Uit rapportage van Beeren van oktober vorig jaar echter blijkt uit niets dat dit een geheime opdracht was, maar maakte het onderzoek deel uit van het voorlopige restauratieplan. Dat werd op schrift gesteld op 26 maart 1986, vijf dagen na de aanval op het schilderij, toen er nog geen sprake was van een opdracht aan Goldreyer. Volgens de brief wijkt dit rapport op essentiële punten af van het latere onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium. Zo zouden bij het eerste onderzoek van de oorspronkelijke verf van Newman vier verflagen zijn gevonden en de tweede keer maar één dikke laag.

In de recapitulatie van de gebeurtenissen wordt ook melding gemaakt van het bezoek vorig jaar maart van Bracht aan het atelier van Goldreyer, waarbij zij constateerde dat het was overgeschilderd. Het schilderij was toen af, Beeren had het drie dagen daarvoor genspecteerd en goed bevonden. Volgens de brief kwam Bracht “onaangekondigd” binnenvallen, in afwezigheid van Goldreyer, en werd zij verzocht te vertrekken. “Bracht raakte gerriteerd en zei, toen ze het schilderij zag: ,Wat hebben jullie met mijn schilderij gedaan?' Op 9 april 1991 schreef Beeren dat er volgens Bracht sprake kon zijn van overschildering”, aldus de brief.

De claim van 10 miljoen dollar voor De Telegraaf wegens smaad en inbreuk op de privacy is het gevolg van een wat ongelukkig gesteld briefje van december 1991 aan Goldreyer, waarin hij om commentaar wordt gevraagd op de uitslag van het Gerechtelijk Laboratorium, dat die dag in de openbaarheid was gebracht door NRC Handelsblad. De brief geeft een opsomming, maar tevens een vergaande interpretatie van de feiten, zoals ”het schilderij is ernstig beschadigd door uw restauratie en kan niet meer in de originele staat worden teruggebracht” en “in plaats van twee miljoen puntjes te zetten, heeft u het kunstwerk gewoon met een verfroller overgeschilderd”. Deze beweringen worden in de vordering “onjuist en lasterlijk” genoemd en zouden de bedoeling hebben Goldreyer publiekelijk belachelijk te maken en hem bloot te stellen aan haat, minachting en schande.