Het einde van de afschrikking nadert

De aankondiging van de Russische president Boris Jeltsin, voor de Amerikaanse televisie, dat Amerikaanse steden niet langer als doelwit geprogrammeerd zullen staan in de koppen van de strategische kernwapens van de voormalige Sovjet-Unie, luidt het einde in van de politiek van het afschrikkingsevenwicht, die de relatie tussen Oost en West sinds de jaren vijftig heeft gekenmerkt.

Die politiek was gebaseerd op de veronderstelde zekerheid dat een nucleaire aanval door een van de twee grote mogendheden onvermijdelijk ook zou leiden tot de vernietiging van de aanvallende partij. Deze politiek werd door beide landen gesanctioneerd door het in 1972 gesloten ABM-verdrag, dat beperkingen oplegde aan de verdediging tegen aanvallende raketten. De twee mogendheden besloten over en weer een grote mate van kwetsbaarheid te behouden, waardoor men de mogelijkheid van een kernaanval zo klein mogelijk wilde houden. De burgers als gijzelaars van de kernwapens, zoals cynici het uitdrukten.

De verwachting is dat de Amerikaanse president George Bush vanavond in zijn laatste State of the Union voor de verkiezingen van november maatregelen zal aankondigen die in de richting gaan van een verdere terugdringing van de rol van de kernwapens. Hij hoopt daarmee het "vredesdividend' waarop na het einde van de Koude Oorlog wordt gerekend politiek zo voordelig mogelijk te incasseren.

Hoge Amerikaanse regeringsfunctionarissen hebben het afgelopen weekeinde al laten weten dat de enige kernkop die nog in ontwikkeling was, van het programma zal worden geschrapt. Dat betekent dat er voor het eerst sinds de kernwapens hun intrede deden, in de VS geen opdrachten meer liggen voor de ontwikkeling of de produktie van een nieuw kernwapen.

Maar de Amerikaanse president zou van plan zijn om in zijn toespraak nog een stap te zetten door te laten weten dat hij bereid is afstand te doen van alle kernwapens die meer dan één kernkop kunnen vervoeren, in het wapenjargon aangeduid als de zogeheten "ge-MIRV-de' kernraketten. Daar zou dan een soortgelijke bereidheid tegenover moeten staan van de vier republieken van het Gemenebest van Onafhankelijk Staten (GOS) op wier grondgebied strategische wapens staan opgesteld: de Oekraïne, Rusland, Wit-Rusland en Kazachstan.

Dergelijke maatregelen zouden een logische voortzetting zijn van de koers die de Amerikaanse president vorig jaar insloeg. Op 27 september kondigde Bush aan dat de Verenigde Staten alle tactische kernwapens in Europa en op schepen zouden ontmantelen, ten teken dat hij een conventionele aanval vanuit het Oosten, waartegen deze wapens in de eerste plaats waren bedoeld, niet langer waarschijnlijk achtte. Ook de op onderzeeboten en oppervlakteschepen gestationeerde kruisraketten met kernkoppen zouden worden opgeslagen of vernietigd.

Als nu inderdaad wordt overgegaan tot ontmanteling van de strategische kernwapens met meer dan één kernkop, dan betekent dat het einde voor de Amerikaanse MX "Peacekeeper' en Minuteman III en vermindering van de aantallen raketten op onderzeeboten. Voor de vier genoemde republieken van de Sovjet-Unie zou een dergelijke stap nog veel drastischer zijn, omdat die de ontmanteling zou betekenen van de SS-18 en de SS-24, die de ruggegraat vormden van de strategische kernmacht van de Sovjet-Unie. Een grootscheepse verrassingsaanval van die kant wordt dan praktisch onmogelijk.

Hoezeer de situatie aan het nucleaire front zich aan het wijzigen is, bleek twee weken geleden ook al uit de signalen die uit Parijs kwamen. De Franse president, François Mitterrand, zag zich genoodzaakt de tot dusver sacrosancte Franse kernmacht ter discussie te stellen, een impliciete erkenning dat de verhoudingen in Europa zodanig veranderd zijn, dat een deel van de Force de Frappe haar bestaansreden heeft verloren en dus een blok aan het been dreigt te worden. Het was nog nooit eerder vertoond: Mitterrand erkende impliciet dat de Franse nucleaire doctrine dient te worden aangepast en hij maakte zelfs gewag van de mogelijkheid van een Europese nucleaire doctrine. Militaire én nucleaire integratie van Frankrijk in Europa lijken bespreekbaar te worden.

Alleen de Britten, die altijd taai aan tradities vasthouden, hebben nog hun aarzelingen. De Britse minister van defensie, Tom King, onderkent dat er niet veel dreiging meer uit gaat van de restanten van de Sovjet-Unie. Hij onthulde twee weken geleden dat voor het eerst in dertig jaar alle schepen van de voormalige Sovjet-Unie waren teruggetrokken uit de Middellandse Zee en de Indische Oceaan. Maar de Britten zien in de ontwikkelingen nog geen aanleiding hun eigen kernwapenpotentieel ter discussie te stellen. Hij liet het afgelopen weekeinde weten nog altijd zoveel dreiging te vinden uitgaan van de kernwapens in de vier GOS-republieken, dat Londen nog niet kan afzien van het voornemen vier Trident-onderzeeboten aan te schaffen met in totaal 152 kernraketten voor de lange afstand.

Voor de Britse vrees zijn overigens (nog) wel argumenten aan te voeren. Zowel de Britse minister van buitenlandse zaken, Douglas Hurd, als eerder zijn Amerikaanse collega, James Baker, heeft van Kazachstan, de Oekraïne en Wit-Rusland de verzekering gekregen dat zij van hun kernwapens af willen, zodat uiteindelijk alleen Rusland, als "opvolger' van de Sovjet-Unie, kernwapens overhoudt. De opperbevelhebber van de strijdkrachten van de GOS, maarschalk Sjaposjnikov, heeft dit nog eens herhaald tegenover de Franse minister van buitenlandse zaken, Roland Dumas.

Maar die wens is nog niet direct realiteit. De indruk bestaat dat de drie staten in ruil voor de ontmanteling van de kernwapens op hun grondgebied bepaalde toezeggingen zullen willen van Rusland. In ieder geval zullen ze niet bereid zijn "hun' wapens over te dragen aan Rusland. Dat betekent dat er nog heel wat tijd kan verlopen voordat men begint deze arsenalen te vernietigen - waarvoor waarschijnlijk hulp van het Westen nodig is.

Desondanks is de politiek van de afschrikking bijna voorbij. Dat blijkt ook uit het feit dat de Amerikanen het ABM-verdrag, dat beperkingen oplegt aan de bouw van anti-raketsystemen, nu willen openbreken. Het grootste gevaar is namelijk dat de komende tijd het aantal landen dat over kernwapens beschikt zich verder zal uitbreiden. De Amerikaanse minister van defensie, Cheney, raamde het aantal landen dat voor het einde van de eeuw over ballistische raketten beschikt op twintig. Tegen dergelijke landen willen de Amerikanen voorzorgsmaatregelen kunnen nemen. Ze zijn van plan meer geld uit te trekken voor het Strategisch Defensie Initiatief (SDI), een plan voor een (gedeeltelijk) in de ruimte gestationeerd systeem dat ballistische raketten tijdens hun vlucht moet kunnen onderscheppen.

Tot dusver was het bezwaar dat een dergelijk systeem het afschrikkingsevenwicht zou verstoren. Nu de politiek van wederzijdse afschrikking geschiedenis is geworden, zijn er, zo menen Amerikaanse defensiefunctionarissen, geen redenen meer om de ontwikkeling van SDI verder te verhinderen. Naar verluidt zou de Amerikaanse regering voor het komende begrotingsjaar een miljard dollar extra willen uittrekken voor SDI.