Een te lang ministerschap?

Minister Van den Broek heeft onlangs een bezoek van ongeveer een week gebracht aan enkele landen in het Midden-Oosten. De reis werd "nuttig' genoemd. Als dat het criterium is voor "s ministers reizen, dan voldoet iedere reis daaraan - zelfs een naar IJsland of Buiten-Mongolië. De vraag is of dat bezoek ook nodig was. Wat kan een minister van buitenlandse zaken van Nederland - let wel: Nederland was niet langer voorzitter van de Europese Gemeenschap - nog klaarkrijgen in (of tussen) Israel, Syrië en Jordanië?

Zou de minister die week niet met meer rendement hebben kunnen gebruiken door bij voorbeeld met zijn staf zich ergens op de Veluwe terug te trekken, teneinde te brainstormen over Nederlands positie in een radicaal veranderde wereld? Of over de organisatie van het bestuur van de internationale betrekkingen?

Want daar mankeert nogal wat aan. We zullen niet opnieuw de litanie aanheffen over de "zwarte maandag' van 30 september, toen Nederland, in 's ministers eigen woorden, "als een gieter afging' in de kring van zijn Europese partners, van wie hij toen wèl nog voorzitter was.

Weliswaar kan die afgang niet uitsluitend aan minister Van den Broek geweten worden - andere ministers, niet in de laatste plaats de minister-president, hebben er ook schuld aan - maar de vraag kan gesteld worden of op de juiste wijze gebruik is gemaakt van het diplomatieke apparaat, van waaruit waarschuwende stemmen hadden geklonken.

Het geringe succes van de Europes Gemeenschap in Joegoslavië wordt ook wel op het bord van Van den Broek gelegd, maar dat lijkt onrechtvaardig: als voorzitter van de EG kon hij nauwelijks eigen beleid voeren, maar moest hij optreden in opdracht van een diep verdeelde club. Wie zou in zo'n positie niet ook wel eens fouten hebben gemaakt?

Wèl kan ook hier gevraagd worden of hij wel juist gebruik gemaakt heeft van zijn diplomatieke apparaat. Nederland heeft, mogen we aannemen, niet voor niets een ambassadeur in Parijs. Waarom moest deze, uitgerekend in de maanden die aan Maastricht voorafgingen, het grootste deel van de tijd in Joegoslavië als bemiddelaar optreden?

Dat heeft hij ongetwijfeld uitstekend, zij het zonder veel succes, gedaan; maar zelfs als we aannemen dat hij in Parijs misbaar was, dan zullen de Fransen deze Nederlandse degradatie van hun hoofdstad ten opzichte van de burgeroorlog in Joegoslavië waarschijnlijk maar matig gewaardeerd hebben. Toegegeven: de Fransen zijn lastig en vaak irriterend, maar dat is geen reden hen onnodig voor het hoofd te stoten.

De wijze waarop het bezoek van Lubbers en Van den Broek een Zuid-Afrika is voorbereid, is het laatste voorbeeld van hoe internationale betrekkingen - en ook de betrekkingen met de regeringspartner, die over die voorbereiding in het duister werd gelaten - niet moeten worden behartigd.

Ook hier is Van den Broek niet de enige die boter op zijn hoofd heeft. Of het te laat informeren van het ANC te wijten is aan laksheid van de ambassade in Pretoria dan wel aan instructies van de minister, is nog onduidelijk, maar ook irrelevant: de minister is verantwoordelijk - en zeker verantwoordelijk voor de alweer onnodige, maar weloverwogen uitspraak dat het ANC, door zich tegen het bezoek te verklaren, een motie van wantrouwen tegen de Nederlandse regering uitgesproken had.

Een lang ministerschap - we hebben het aan zijn voorgangner Luns gezien - kan leiden tot een zekere moeheid, tot een zekere routine, ook tot het gevoel bij de bewindsman dat hij het allemaal wel alleen af kan, met andere woorden het advies van zijn diplomaten en naaste medewerkers eigenlijk nauwelijks nodig heeft. Dat is een gevaarlijk ogenblik.

Het belangrijkste echter is dat de minister verantwoordelijk is, ook als hij niet schuldig is. Het liberale oud-Kamerlid Joekes, die tegenwoordig een aardige rubriek in Trouw heeft, herinnert aan het ontslag dat een andere minister van buitenlandse zaken, lord Carrington, in 1982 aanbood (en kreeg), toen bleek dat zijn departement de Argentijnse invasie van de Falklandeilanden niet voorzien had (zelf had hij andere dingen aan het hoofd gehad).

En dan trekt Joekes de parallel: “De voorbereiding van dit bezoek (aan Zuid-Afrika), achter en voor de schermen, is nu al een onherstelbaar fiasco geworden. Door het diplomatieke gestuntel, waarvoor nu eenmaal de minister van buitenlandse zaken verantwoordelijk is (. . .) Het komt vaker voor dat de kop van Jut niet tijdig beseft dat hijzelf Jut is geworden.”

Mocht minister Van den Broek ooit dezelfde conclusies trekken als Carrington tien jaar geleden - waar overigens helemaal geen aanwijzingen voor zijn - dan zou dat een verlies zijn. Want in de bijna tien jaar van zijn ministerschap heeft hij getoond, misschien niet een groot denker te zijn, maar wel een goed instinct te hebben voor wat Nederlands prioriteiten in de internationale politiek behoren te zijn. Die zouden een opvolger, gezien het wazige "denken' van de meeste politici (onder wie de minister-president) op dit punt, wel eens minder duidelijk voor ogen kunnen staan.