Een Nederlandse in Irak

Het is schemerig donker in de houten noodwoning in de Noordiraakse stad Arbil. Hier woont de Koerd Khusrow Shali, de rector magnificus van de plaatselijke universiteit, samen met zijn zoon Dara en zijn dochter Perwin. De elektriciteit is weer eens uitgevallen. Iedere dag gebeurt dat wel een keer, niemand kent de precieze oorzaak.

Dara en Perwin voeren het woord. In vloeiend Nederlands vertellen ze over de plundering van hun oude huis, hun vlucht naar de bergen en hun Nederlandse moeder: Iris Teengs. De Golfoorlog, nu een jaar geleden, vormde de opmaat voor haar dood.

Iris Teengs ontmoette Khusrow Shali zo'n 25 jaar geleden in het Schotse Edingburgh. Zij was au pair, hij studeerde landbouwkunde.

Op Tweede Kerstdag 1968 trouwden ze. Ze kregen twee kinderen en lieten een huis bouwen in een buitenwijk van de Noordiraakse stad Sulaymaniyah, niet ver van de grens met Iran. In de omgeving werd vaak geschoten en iedere avond stapelden Iris en Khusrow zandzakken en bakstenen achter de ramen. De gordijnen hielden ze stijf gesloten, want wie zijn huis zichtbaar barricadeerde was volgens het Iraakse regime een lafaard en werd geëxecuteerd.

Dara laat me zijn slaapkamer zien. De was hangt er te drogen en in de hoek staat een zak meel. Op de kop getikt bij een voedseluitdeling van het Internationale Rode Kruis. Ook de rector magnificus en zijn kinderen kampen met de gevolgen van de economische boycot, die Saddam Hoessein de Koerden heeft opgelegd om ze tot een onvoordelig akkoord te dwingen.

De aanvoer van voedsel werd gestaakt en de oliekraan dichtgedraaid, wat leidde tot een ongekende prijsexplosie. Alles is nog wel te krijgen, maar vaak alleen op de zwarte markt, tegen prijzen die soms zestig keer zo hoog zijn als voorheen.

Recht boven het bed van Dara zit een klein gat in het plafond. Daar sloeg gisteravond nog een kogel in. Op de radio waren weer eens geruchten over een staatsgreep tegen Saddam Hoessein en tientallen mensen waren schietend van vreugde de straat opgegaan. Dara vond de kogel op zijn hoofdkussen, bij het slapen gaan.

Eind jaren '70 verhuisde het gezin Shali. Saddam Hoessein had besloten dat de Koerdische universiteit verplaatst moest worden van Sulaymaniyah naar Arbil, meer dan 200 kilometer verderop. Zonder opgaaf van redenen werden de universiteitsgebouwen gesloten en de hele universiteitspopulatie vertrok, een aantal buitenlandse docenten zelfs voorgoed. Zij hadden geen zin in de gedwongen verhuizing en verlieten het land. De universiteit kon niet anders dan enkele faculteiten sluiten.

In Arbil betrokken Khusrow en Iris een schitterende villa in de beste buurt van de stad. In de voortuin plantte Iris een kerstboompje uit Nederland. Het zou uitgroeien tot een kolossale boom die het zicht op de voorgevel voor het grootste deel wegnam.

Op de buitenmuur van het huis staat nu een politieke leus, binnen is het leeg. De meeste deuren zijn op slot, de ruimten klinken hol. In een zijkamertje bivakkeren de tuinman en zijn zoon. Ze bewaken het pand, zolang er geen nieuwe bestemming voor gevonden is.

Begin maart 1991. Het was nog vroeg in de ochtend toen Dara en Perwin wakker werden van een luidruchtig gestommel in de garage. Vijf vreemden in de auto. Of ze de sleutels maar even mochten hebben. En weg was de auto.

Toen brak de storm los. “Plotseling kwamen ze overal vandaan”, vertelt Perwin. “Vanaf de straat, door de tuin, van het dak, uit de bomen, overal.” De plundering van de rijke buurten door de armen van Arbil was begonnen.

In die eerste dagen van maart waren de meeste inwoners van de stad weggevlucht voor de troepen van Saddam Hoessein. Het Koerdisch optimisme van na de Golfoorlog had plaatsgemaakt voor Iraakse aanvallen. En die kwamen steeds dichterbij.

Iris en haar gezin waren als laatsten overgebleven in de wijk. Hun schreeuw om hulp werd niet gehoord, verzet had geen zin. “Tweehonderd tegen vier”, zegt Dara.

Nog voordat de ochtend was verstreken, was het huis verwoest. Inboedel, tapijten, tegels. Alles weg. De ruiten ingeslagen, de deuren uit de sponningen, het huis in brand. De tuin omgespit, de kerstboom geveld.

Die middag vertrokken ook Khusrow, Iris, Perwin en Dara uit Arbil. Met de vluchtelingenstroom mee, naar de bergen in het Iraaks-Iraanse grensgebied. Ze zouden het daar negen dagen uithouden. Vier man en een hond in een auto, met biscuitjes als enige leeftocht in een decor van stervende kinderen en bejaarden. Uitgeput keerden ze daarna terug naar Arbil, waar ze tijdelijk onderdak vonden in een houten noodwoning op het terrein van de universiteit. Het leven hernam hier langzaam zijn gewone gang. Op 1 augustus was er zelfs weer reden voor een feest, want Perwin verloofde zich en dat werd groots gevierd.

Twee dagen later, op 3 augustus, is Iris overleden. Ze kreeg een hartaanval, een half uur nadat ze met Khusrow de herstelwerkzaamheden aan haar oude huis had bekeken. “Ze kon het niet meer verwerken”, zegt Perwin. “De oorlog, de bombardementen, het leeghalen van het huis, de vlucht. Ze was een buitenlander, toch anders dan wij. Het was gewoon teveel.”