Een lezing in Zoetermeer

Wachten is nooit mijn sterkste punt geweest, en ik weet dat ook meestal te vermijden door zelf iets te laat te komen. Bij eigen lezingen moet je natuurlijk op tijd zijn; het liefst kom ik een paar minuten voor aanvangstijd rustig en energiek binnen, zodat ik vrijwel direct van wal kan steken.

Laatst was ik voor een lezing op het Ministerie van onderwijs en wetenschappen te Zoetermeer een half uur te vroeg, omdat ik tegen mijn verwachting direct op het doel afreed, naast de ingang kon parkeren en wegens guurte en algehele onbarmhartigheid van omgeving besloot me maar direct bij de portier te vervoegen. Daar zou ik opgehaald worden, stond in de uitnodigingsbrief. De portier was vriendelijk, wist nergens van, maar met de brief in de hand kon ik bewijzen dat ik niet maar iets verzon. Hij belde een nummer, nog een nummer, weer eens een ander nummer, maar of niemand pakte aan, of niemand wist er van. Degene die me uitgenodigd had bleek met vakantie, daar was nog achter te komen, maar een vervanger was niet opgegeven, en niemand anders van de organisatie bleek te vinden.

Het begon me behoorlijk te irriteren, en ik moest de opwelling om getergd de kolos te verlaten onderdrukken: al het gedoe om ergens in goede orde aan te komen weerhoudt me op zo'n moment om al te snel op te stappen. De portier was het wel met me eens dat dit een rare gang van zaken was, maar er was niemand om me op te halen. Geduldig legde hij me uit dat sinds de reorganisatie en de verhuizing vorige maand niemand elkaar meer kon vinden: het was hopeloos, iedereen was voortdurend op zoek naar onvindbare anderen.

De tijd schreed voort, ik moest nu toch langzamerhand die zaal wel eens bereiken, maar mijn voorstel om die zelf dan maar te gaan zoeken - ik was per slot niet op mijn achterhoofd gevallen - werd resoluut van de hand gewezen: dat kon niet. Ik vestigde mijn hoop op een bewaker die naast de portier stond, maar die wist de weg niet en hijzelf kon niet van zijn plaats. De zaak zat muurvast, de minuten verstreken, nog steeds was niemand van de organisatie te vinden en niemand anders kon deze lichte begeleidingstaak even overnemen. Nu was het bijna vier uur, en ik besloot de codes te doorbrekenen en zelf het doolhof te betreden. Door hier en daar iemand aan te klampen die me een loopbrug verder hielp bleek de zaal te vinden: goed geoutilleerd met microfoons en kannen koffie, plus een aanwezige. Het werden er zelfs zeven, uit verschillende afdelingen en geledingen. Zelfs een directeur-generaal kwam binnen, bij toeval getipt door haar secretaresse.

Het was even een ander concept, spreken voor zeven aanwezigen, maar innig dankbaar dat zij helemaal gekomen waren deed ik gedreven mijn verhaal. Omdat er niemand van de organisatie was, en niemand wist wie van de organisatie was, bleven inleiding en uitleiding achterwege, maar het valt - hoewel een beetje kaal - te missen.

Wat overbleef was dat mooie gevoel van verontwaardiging: hoe kan dit in een organisatie die al jarenlang de universiteiten teistert met nieuwe orders, missives, reglementen en blauwdrukken voor reorganisatie, omdat alles efficiënter, sneller en doeltreffender moet. Het aantal slachtoffers van deze operaties is groot geweest, de kapitaalvernietiging gigantisch, en het rendement laag. Zelf lopen ze elkaar de hele dag te zoeken en zijn ze nog niet in staat je op een afgesproken plaats bij de portier te halen.

En dan tot slot die hardnekkige vraag die op zo'n moment toch altijd even de kop opsteekt: zou dit nu ook gebeurd zijn als ik een man was? Daar ben ik eigenlijk wel gerust op, want het ministerie werkt zonder aanzien des persoons.