Debuutfilm Ian Kerkhof overrompelt Rotterdam

ROTTERDAM, 28 JAN. Ondanks de frisse wind die Emile Fallaux door het Filmfestival Rotterdam laat waaien, zijn een aantal zaken bij het oude gebleven. Fallaux heeft de loyaliteit van het festival aan de sinds jaar en dag aanwezige filmmakers niet direct willen verbreken, ook al was hij niet enthousiast over hun laatste films. Met name ten aanzien van de Nederlandse filmers wijkt de selectie niet af van wat Müller of Bals uitgekozen zouden hebben.

Zo is er een nieuwe film van Frans van de Staak te zien (Rooksporen), waarvoor de regisseur de samenwerking met schrijfster Lidy van Marissing weer opnam. Later volgen nog nieuwe films van Ramon Gieling, Digna Sinke, een sneak preview van de allernieuwste van Pim de la Parra en het portret dat Thijs Ockersen maakte van de zingende filmcowboy Roy Rogers.

In het weekeinde gingen maar liefst zeven nieuwe, min of meer experimentele Nederlandse films in première, voor een deel omdat dat nu eenmaal de gewoonte is in Rotterdam. Op den duur zal Fallaux toch iets meer moed moeten betonen en de selectie van een Nederlandse film in het hoofdprogramma van Rotterdam, een hoog gewaardeerde onderscheiding, moeten beperken tot films die ook werkelijk de moeite waard zijn, zoals het debuut van filmstudent Ian Kerkhof.

Je kunt bij voorbeeld ernstig twijfelen aan de noodzaak van de vertoning van Ecce homo, een korte speelfilm van de eerder met zijn dansfilms hier aanwezige Rotterdammer René A. Hazekamp; meer dan een experimentele vingeroefening is dit verslag van de bus- en wandeltocht van een man en een vrouw niet.

Ook de beide filmessay's van Rein Bloem, de schoolmeester van de vaderlandse cinema, kunnen de toets der kritiek nauwelijks doorstaan. Het lijkt wel of Bloem als leraar Nederlands met eenvoudige middelen in de vakantie filmpjes opneemt om zo zijn leerlingen uit te leggen wie Herman Gorter was ("Wisten jullie dat de dichter heel goed tennis speelde?”), waar de naam Nausikaä voor staat en hoe je met kennis van zulke elementen Hans Faverey's gedicht Gorter aan zee beter begrijpen kunt. Het stijve gestuntel van de actrices, die Bloem bij voorkeur onder schoolmeisjes recruteert, doet in Aan het helder strand der zee bijna ontroerend aan. Zo menig vrouwenbeeld is de maskerade van een moeder en dochter als Salomé en Herodias(“Die Gustave Moreau, die wist het wel”, kirren ze voor de spiegel), met eveneens voornamelijk educatieve doeleinden.

Ook de films van wereldreiziger Henri Plaat lijken grotendeels een privé-aangelegenheid. Tijdens het volgen van de Zijderoute nam Plaat schitterende, soms merkwaardig gekadreerde beelden op. Door de afwezigheid van andere dan picturale informatie en gebrek aan dramatische lijn herinnert On the Road a Smiling Stone toch vooral aan een dia-avondje bij een begaafde fotograaf.

Amusanter en levendiger zijn twee andere Nederlandse beeld- en geluidsexperimenten. Het filmende echtpaar Andras Hamelberg en Frederieke Jochems monteerde in verschillende seizoenen camera en microfoon op negen draaihekjes, die wandelaars en vee uit elkaar moeten houden in het Zuidlimburgs heuvellandschap. Elk hekje piept en kraakt tijdens het draaien naar eigen aard, terwijl de toeschouwer van de korte film Tourniquette zijn ogen uitkijkt op subtiele veranderingen in het panorama.

Het duo Paul van den Wildenberg en Jan Ketelaars verkenden in grofkorrelig zwart-wit de rand van Amsterdam in Terrain vague. Op de landjes, parkeerterreinen, langs spoordijken en industriegebieden, ontmoetten ze onder meer stadsnomaden, volkstuinders, ponyclubs, kleiduivenschieters en hondentrainers. Voor een provisorisch neergehangen doek poseren deze gebruikers van de schaarse lege ruimte rond de hoofdstad als in moderne schuttersstukken. De filmers, die eerder in Stad van het desolate Tilburg een dankbaar filmobject wisten te maken, creëerden in Terrain vague een tijdsbeeld van rafelige schoonheid.

Voor de grootste verrassing uit het eerste pakket Hollandse eigenheimers zorgde de sinds 1983 in Amsterdam wonende Zuidafrikaan Ian Kerkhof. De student aan de Filmacademie maakte zijn bewondering voor de formele rigiditeit van Van de Staak, Straub en Zwartjes zichtbaar in een speelfilm van negentig minuten, die slechts een enkele camerabeweging telt. Kyodai Makes the Big Time bestaat overigens slechts uit strakke kaders en soms tergend langzame, statische scènes. Die zijn echter door cameraman Joost van Gelder opgenomen in keiharde, koele kleuren en vervuld van, veelal in spiegels weerkaatste seks en geweld. Brutaal begint de film met de zo plat mogelijk gefilmde, stampende coïtus van een man en een vrouw, van wie we de gezichten nog niet te zien krijgen. Later blijken ze Kyodai (spreek uit: kai-dee) en Stephanie te heten en er een merkwaardige relatie op na te houden. De man is een onbereikbare zwijger, de vrouw kan niet met en niet zonder hem leven. De Engelstalige dialogen waren tijdens de projectie in Rotterdam niet altijd goed te verstaan, en daar mag Kerkhof blij mee zijn, geloof ik. De kracht van de film ligt namelijk elders, in de verbeelding van een onbekend Amsterdam, waar liefde is uitgebannen en object van machtsspelletjes en onderhandeling geworden is, en vooral in de lichaamstaal van de acteurs. Koos Vos maakt grote indruk als een ongelukkige reus met de houding van een James Dean, die gelukkig weinig tekst heeft. Maar ook Janneke Draaisma is een ontdekking, niet door de raffinement van haar acteren, maar door de intense blik die ze Kerkhof op haar persoonlijkheid gunt; zelfs een onhandig gespeelde monoloog, waarin Stephanie zich rokend en whisky drinkend een air van desillusie tracht aan te meten, wordt op de een of andere manier in het geheugen gegrift.

Ian Kerkhof is een bijzonder talent, waarvoor het adjectief "gevaarlijk' zich het best lijkt te lenen. De combinatie van formele strengheid en krachtige lichamelijkheid is zeldzaam in de Nederlandse film of daarbuiten. Kyodai Makes the Big Time is dan ook een overrompelend debuut, slechts te vergelijken met de blikseminslag die Theo van Goghs Lüger destijds veroorzaakte. De film zal gehaat en bewonderd worden; de verrassing die Kerkhof de kijker in de laatste scène bereidt, ontlokte het Rotterdamse publiek aanvankelijk zenuwachtig gelach en daarna applaus.