De profeet van de welvaartsstaat

John Kenneth Galbraith (83) geldt als de profeet van de welvaartseconomie. Niet alleen in de VS maar ook in West-Europa hadden zijn denkbeelden veel invloed. Reagans beleid noemt hij "pervers' en hij is evenmin een bewonderaar van George Bush. Maar voor de Nederlandse verzorgingsstaat heeft hij veel waardering. Een gesprek.

In zijn studeerkamer trekt de geschiedenis voorbij: John F. Kennedy, Jackie, Lyndon Johnson, Averell Harriman, Jawaharlal Nehru. Zwaaiende handen, lachende gezichten, in India, Zwitserland en Amerika. Op elke foto is hij te zien met altijd weer die geamuseerde grijns.

John Kenneth Galbraith is een celebrity. Hij geldt als één van de invloedrijkste economen sinds de Tweede Wereldoorlog èn - met meer dan twee meter lengte - de langste. De op een boerderij in Canada geboren Amerikaan staat bekend als profeet van de welvaartseconomie. Al in de jaren vijftig hield hij zich bezig met vragen over kwalitatieve groei en de kwaliteit van het leven. Galbraith waarschuwde dat de overvloedige Westerse samenleving slachtoffer van zijn eigen welvaart dreigde te worden. Er heerste een ongebreidelde fixatie op produktie van allerlei consumptie-artikelen waaraan niemand behoefte had.

De Amerikaanse econoom was niet tegen economische groei. Het vermogen om nieuwe behoeften te creëren was volgens hem onuitputtelijk. Maar de groei moest beter gestuurd en verdeeld worden. De kloof tussen de rijkdom van individuele burgers en de armoedige publieke voorzieningen zoals scholen, steden en het milieu was veel te groot. Galbraith schreef het op in The Affluent Society (De Economie van de Overvloed) en werd beroemd. In een tweede toonaangevend boek The New Industrial State analyseerde hij de trend naar bedrijfsconcentraties en de toenemende afhankelijheid van de staat van grote bedrijven.

Bijna drie decennia was Galbraith de economische leermeester van een hele generatie sociaal geëngageerde politici. Zijn denkbeelden hadden niet alleen in de Verenigde Staten grote invloed, maar ook op de sociaal-democratische partijen in West-Europa. Uitbreiding van de publieke sector zou het politieke beleid in zowel Amerika als Europa gedurende de hele jaren zestig beheersen.

Galbraith was jarenlang professor op Harvard, tekstschrijver voor de Democratische presidentskandidaat Adlai Stevenson en adviseur van president John F. Kennedy voor wie hij later als ambassadeur naar India ging. Hij voorspelde de hevige koersval op Wall Street in oktober 1987 (“Ik had gelijk”) en behoort met Harvard-professor Robert Reich en de publicist Robert Kuttner tot een groepje spraakmakende economen in het Democratische kamp.

In mei komt de voormalige Harvard-professor naar Nederland om een lezing te houden op uitnodiging van het Tinbergen-instituut in Rotterdam.

"Please wipe your feet', Danforth Quale, staat op de nieuwe deurmat van zijn huis in Cambridge, vlakbij Boston. “Ik ben klaar voor de komende presidentsverkiezingen”, grijnst de 83-jarige econoom. Galbraith is in topvorm. Hij heeft net de laatste hand gelegd aan een verklaring voor een commissie van het Congres in Washington, die zijn advies wil hebben over de huidige recessie in Amerika. Sinds een ander boek van hem verscheen, The Great Crash, over de beurskrach van 1929, wordt Galbraith regelmatig in Washington uitgenodigd om het parlement te adviseren over netelige financiële en economische kwesties.

“Amerika gaat zwaar gebukt onder de gevolgen van het buitengewoon perverse beleid van Ronald Reagan”, zegt Galbraith. “Zelfs enkele Republikeinen zijn het erover eens dat de jaren tachtig jaren waren van economische excessen. De beurscrisis van 1987 bracht velen tot bezinning. Maar de speculatieve buitensporigheden kwamen pas echt tot een eind met de ineenstorting van de onroerend goedmarkt. Het mòest mislopen met de wilde speculaties in bankleningen en onroerend goed in de steden. Toen die markt instortte zaten de banken te kijken met grote verliezen op leningen. Daar hebben ze nog steeds last van. Zelfs onze grootste bank, de Citibank (waar O. Ruding nu benoemd is tot vice-president, red.) zit in ernstige moeilijkheden. En die zijn nog lang niet voorbij. Er zullen ongetwijfeld meer banken vastlopen.”

“De regering wil de banken bijspringen. Dat zal vele tientallen miljarden dollars kosten. Maar de regering heeft helemaal geen geld meer. Als je in dit land arm bent en honderd dollar kwijtraakt is dat jouw probleem, maar als je rijk genoeg bent en honderdduizend dollar verliest komt de regering je redden.

Dat noem ik nou het omgekeerde socialisme.''

Pag 16:

Galbraith: groei beter te sturen en te verdelen

Is er uitzicht op verbetering van de Amerikaanse economie?

“Ik verdeel de mensen die daar voorspellingen over doen in twee groepen: zij die het niet weten en zij die nog niet weten dat ze het niet weten. Er zijn ook mensen die zeggen dat de recessie voorbij was maar dat er inmiddels een nieuwe is begonnen. Onzin. Er moet een eind komen aan die nonsens. We hebben nog steeds te maken met dezelfde recessie die twee jaar geleden in augustus begon.

“De crisis die Amerika doormaakt is geen autonoom drama. We betalen nu de prijs voor de overname-gekte waardoor een derde van de grote ondernemingen in ons land onder zware schulden gebukt gaat. Ze hebben onvoldoende geld om te investeren.

“Ongetwijfeld werkt er een corrigerend mechanisme. Het financiële geheugen van mensen is erg kort. De laatste periode van ontsporingen zal weer vergeten worden en er zal een volgende komen. Dat is de aard van het kapitalisme. In de tussentijd raken voorraden uitgeput, gaan auto's kapot en moeten kleren worden vervangen. Dan gaan mensen weer kopen. De lengte van dat proces zal bepalen of de regering actie gaat ondernemen om een einde aan de recessie te maken. De regering-Bush lijkt de ernst van de problemen niet echt onder ogen te zien. De president heeft weliswaar besloten dat hij vaker thuis blijft om zich wat meer met - wat hij smalend domestic stuff noemt - te bemoeien. Maar in het buitenland wordt er veel harder voor hem geklapt dan hier in Amerika.”

Dreigt de verzorgingsstaat ondergraven te worden door de ernst van de economische problemen? Ruim 33 miljoen Amerikanen leven onder de armoedegrens en zes van de tien Amerikanen maken zich zorgen over de grote aantallen daklozen in de steden.

“Vreselijk. Het probleem van de daklozen is door de recessie erger geworden. Er zijn talloze mensen zonder baan, die hun werkloosheidscompensatie hebben verbruikt en alle hoop hebben opgegeven. Eén van de grootste verlakkerijen van mijnheer Reagan en zijn mensen was dat de armen met economische hulp arm werden gehouden. Ze zeiden dat de armen de "prikkel' nodig hadden van hun eigen armoede. Dat ontsloeg de regering en de rest van de bevolking van de plicht iets voor deze mensen te doen.

“Maar dat probleem zal niet zijn opgelost als de recessie voorbij is. Dat wordt pas opgelost zodra de regering serieuze pogingen gaat ondernemen om sociale en publieke voorzieningen te verbeteren zodat er betere huisvesting komt, beter onderwijs, hulp voor verslaafden en meer politievoorzieningen. Dat zijn allemaal verantwoordelijkheden van de regering en die kosten geld.

“Het is frappant dat er in onze welvarende samenleving zoveel armoede blijft bestaan. In The Affluent Society schreef ik al over de grote ongelijkheid in de welvaartsstaat tussen publieke consumptie en particuliere consumptie. Over de families die in hun airconditioned auto voor een ritje de stad achter zich laten en over hobbelige, slechte wegen rijden. Ze komen op het platteland dat bijna onvindbaar is door de reclameborden. Ze picknicken met verpakt voedsel uit een draagbare plastic vriestas bij een vervuild riviertje. Ze overnachten in een park en vlak voordat ze in hun nylontent in slaap vallen, temidden van de stank van een vuilnisbelt, worden ze plotseling bevangen door een gevoel van ongemak over hun welvaart.

“Is er zoveel veranderd? We hebben in dit land prachtige televisietoestellen en waardeloze scholen, schone huizen en vervuilde straten, mooie auto's en slecht openbaar vervoer. Ik heb er net een nieuw boek over geschreven: The Culture of Contentment. Amerika gaat er onder gebukt dat te veel mensen gelukkig en tevreden zijn.”

En dat is een probleem?

“Mensen die tevreden zijn worden conservatief. Ze ontwikkelen ideeën die hun eigen situatie rechtvaardigen en worden daarbij gesteund door een bepaalde school van economen en andere wetenschappers. Kijk maar naar het huidige economische beleid, dat is primitief. Mensen kijken alleen naar de korte termijn, naar hun eigen welzijn en niet naar dat van de hele maatschappij. In de Verenigde Staten ontstaat een meerderheid van stemmers die zo denkt. Ik noem ze de "tevreden electorale meerderheid'.

“Zij willen de misère vergeten van degenen die buiten het systeem vallen, de armen, de onderklasse. Daarom blijft de armoede bestaan. Dat was ook een thema in The Affluent Society, maar ik ben er nu nog meer van overtuigd dan toen. In de centra van onze steden en tot op zekere hoogte ook in bepaalde delen van het platteland, bestaat nog altijd diepe armoede.

“De twee grote partijen trekken zich er niets van aan. Zij vechten uitsluitend om stemmen van mensen die toch al goed af zijn. Maar intussen gaat in onze democratie de helft van de mensen niet meer naar de stembus omdat de issues worden gedomineerd door de contented majority. De politieke macht komt in handen van mensen die economisch tevreden zijn. En de armen? Zij krijgen de schuld van hun eigen armoede.

“Ik zie weinig vooruitzichten op veranderingen. De huidige regering is diep religieus. Ze gelooft dat God een liberale republikein is en alle problemen zal oplossen. Er zou een politicus moeten opstaan die zich richt op de stemmen van de onderklasse. Hoewel ik dat bij de komende verkiezingen nog niet zie gebeuren. Maar zonder hoop ben ik niet. Zelf steun ik senator Tom Harkin uit Iowa. Hij is het beste alternatief voor Bush. Hij wil de publieke voorzieningen uitbreiden en het militaire establishment aanpakken. Daar ben ik voor.”

Zal de verzorgingsstaat overleven of is het model verouderd?

“De meeste landen in het Westen zijn verzorgingsstaten. De moderne succesvolle economie is een gemengde economie waarin particulier ondernemerschap is gecombineerd met een systeem van sociale zorg. Dat is een samenleving waarin er sociale zekerheden zijn zoals een compensatie voor het geval iemand werkloos raakt, gezondheidszorg en een inkomen voor mensen die geen inkomsten hebben. Ook Amerika heeft al die dingen. Er is een uitgebreid sociaal stelsel dat teruggaat tot de dagen van de New Deal. Maar wij hebben een gebrekkige verzorgingsstaat, gebrekkiger bij voorbeeld dan Nederland. Dat heeft een veel hoger niveau, een perfectie die ik meer waardeer.”

Nederland heeft er zelf problemen mee. Er zijn te veel mensen in het sociale vangnet terecht gekomen die er eigenlijk niet thuishoren en daardoor wordt het systeem te duur.

“Ik ben een groot bewonderaar van de Nederlandse verzorgingsstaat. Daar maak ik geen geheim van. Ik beschouw Holland als een van de beschaafste landen ter wereld. Dat doe ik omdat het verzorgingsstelsel een groot aantal mensen behoedt voor narigheid in het leven. Er zijn natuurlijk altijd zaken die moeten worden bijgesteld als ze tot extremen leiden. Maar ik ben liever in Holland arbeidsongeschikt dan in New York. Het is één van de rustigste en gelukkigste landen ter wereld. Waarom zouden Nederlanders klagen?

“Het is beter dat er te veel mensen een uitkering hebben dan dat er helemaal geen uitkering is. Het Nederlandse verzorgingsmodel is completer dan het Amerikaanse. Dat vereist hogere belastingen. Ik vind het een teken van beschaving dat mensen belasting willen betalen om anderen ellende en gebrekkige kennis te besparen.

“Amerika zou een veel gelijkmatiger belastingsysteem moeten hebben dan nu het geval is. Meer belasting voor de hogere inkomensgroepen en een uitgebreid sociaal programma voor de armen. De economische groei moet gelijker worden verdeeld over de heel rijken en de heel armen. Dat vergt politici met meer moed die meer risico's willen nemen. Maar dat is politiek niet erg populair om te zeggen.

“En de defensie-uitgaven moeten omlaag. (President Bush zal daar vannacht in zijn State of the Union wel op ingaan, red.) Dat zal niet eenvoudig zijn. Het defensie-establishment is een sterke machtsfactor geworden. De combinatie van de strijdkrachten, de bureaucratie op het Pentagon, de afgevaardigden in het Congres en de defensie-industrie vormen een geheel eigen politieke kracht. Zelfs nu de mogelijke vijand verdwenen is, zullen zij nog steeds een groot deel opeisen van onze publieke uitgaven.

“Toch is een drastische verlaging van de defensiegelden met honderd miljard dollar, een derde van het budget, noodzakelijk om de infrastructuur van onze economie te versterken. Dat geld zou in het schoolsysteem moeten worden gestoken en in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieën. Amerika is in de loop der jaren te veel lichte industrieën kwijtgeraakt aan Japan, Korea, Taiwan en Maleisië. In plaats van geld te investeren in een B-2 bommenwerper zou de televisietechnologie verbeterd kunnen worden, de elektronica en communicatie. Het massa-transport verkeert in slechte staat: de metro's, de spoorlijnen en de luchthavens. Als we daar eens aandacht aan geven, kunnen we zo op hetzelfde niveau zitten als Duitsland en Japan.”

Welke gevaren bedreigen de welvaartsstaat?

“Niet de immigranten zoals sommigen in West-Europa kennelijk vrezen. Alle rijke landen rekenen er op arbeid uit de minder bedeelde wereld te kunnen importeren. Daar moeten we niet verrast over doen. De Duitse industrie is afhankelijk van Turken en Joegoslaven, de Franse industrie van een nieuwe invasie van de Moren. Zelfs Nederland kent gastarbeiders. Daarover maak ik me geen zorgen. Een groeiende stroom immigranten is zeker niet abnormaal. In Amerika hebben we een heleboel immigranten uit Zuid-Amerika en we zouden geen fruit eten of groenten als zij niet kwamen oogsten. Natuurlijk zullen er fricties zijn, maar je houdt immigratie niet tegen.

“Een heel ander probleem is waartoe het ineenstorten van het communisme zal leiden. De vraag is of die landen er in slagen een nieuw werkbaar economisch systeem te krijgen. Daarbij is hulp van de Westerse landen onontbeerlijk. Eén van de tragedies van onze tijd is dat de ineenstorting van de oude orde in Oost-Europa en de Sovjet-Unie bij communisten tot de conclusie heeft geleid dat het kapitalisme, de vrije markt, een alternatief zou zijn. Maar het grote gevaar is dat ze het kapitalisme, door de uiterst pijnlijke overgangsperiode, als een heel onbevredigend proces gaan ervaren. Daarom is het noodzakelijk dat alle Westerse landen meehelpen aan deze omschakeling die onontkoombaar is.”

De Franse econoom Michel Albert schrijft in zijn jongste boek "Capitalisme contre capitalisme' dat nu de planeconomie ter ziele is, de strijd in de toekomst tussen twee soorten kapitalisme gaat: het Amerikaans-Britse model en het Rijnlandse model. Bent u het daarmee eens?

“Ik geloof niet in een strijd tussen beide systemen. Natuurlijk bestaan er sterke verschillen tussen deze twee soorten kapitalisme. Amerika en Groot-Brittannië zijn sterk geïnspireerd door Adam Smiths laissez-faire die de staat en de economie als natuurlijke tegenstanders beschouwde. Daarnaast is er het Duitse en Japanse kapitalisme waarin de staat zich inspant om het particulier ondernemerschap te versterken. Dat is een duidelijk verschil. Maar ik zie geen strijd tussen beide systemen. Een opmerkelijke karakteristiek van de moderne economie is juist het internationale karakter ervan. Bovendien sta ik sceptisch tegenover beide modellen.

“Deze twee soorten kapitalisme hebben allebei nadelen en deugden. Daar wil ik niet plechtig over doen. De Japanners moet je zonder meer bewonderen voor hun economische prestaties. Daar bestaat geen twijfel over. Ik geloof echter dat de kracht van Amerika veel meer gelegen is in de ontwikkeling van technologieën, ontwerpen, in kunst en amusement. In Duitsland en Japan heb je een nauwe werkrelatie tussen de regering en de industrie. Ik denk niet dat Amerikanen en Britten dat willen. Wij zijn erg verbonden met de oude tradities van Smith en voelen instinctief niets voor die gebondenheid. Eigenlijk ben ik heel blij om in Amerika te leven.

“Economische kwesties moeten niet theoretisch worden opgelost. Ik ben het in dit opzicht eens met Fukuyama die enkele jaren geleden voor ophef zorgde met een artikel over "het einde van de geschiedenis'. Er zijn geen ideologieën meer. Ook niet op economisch gebied. Ik zie mezelf niet als ideoloog maar als een pure pragmaticus. En ik hoop dat we in de eeuw zijn beland van praktische oordelen. Economische problemen moeten worden opgelost door de voor- en nadelen van specifieke gevallen tegenover elkaar af te wegen.

“Zo zijn er gevallen waarin samenwerking tussen de overheid en de industrie wenselijk is. De overheid zou bij voorbeeld onderzoek op het gebied van milieu en technologie kunnen stimuleren. Dat lijkt me een onontkoombare taak van de staat. Aan de andere kant hoeft de overheid zich niet om kleinere ondernemers te be-kommeren. Die moeten de grootst mogelijke vrijheid tot handelen hebben.“Een goede economische politiek is voor mij een beleid dat zich telkens opnieuw weet aan te passen aan de wisselende maatschappelijke veranderingen. Maar voor sommigen is economie een soort nationale religie. Ik geniet er nog het meest van als ik de ware gelovigen op hun ziel kan trappen. Economie is uiteindelijk niet meer dan gewoon je boerenverstand gebruiken.”

De belangrijkste werken van J.K. Galbraith

Modern Competition and Business Policy, geschreven met H.S. Dennison, Oxford University Press (1938)

A Theory of Price Control, Harvard University Press, (1952)

American Capitalism: The Concept of Countervailing Power, Houghton Mifflin, 1952

The Great Crash 1929, Houghton Mifflin (1954)

The Affluent Society, Houghton Mifflin (1958)

The New Industrial State, Houghton Mifflin (1967)

Economics and the Public Purpose, Houghton Mifflin (1973)

The Age of Uncertainty, Houghton Mifflin (1977)

Money: Whence It Came, Where It Went, Houghton Mifflin (1977)

Almost Erveryones's Guide to Economics, geschreven met N. Salinger, Houghton Mifflin (1978)

The Nature of Mass Poverty, Houghton Mifflin (1979)

A Life in Our Times, Houghton Mifflin (1981)

The Anatomy of Power, Houghton Mifflin (1983)

The Culture of Contentment, Houghton Mifflin (verwacht in mei 1992)