Behandeling van zedendelinquent nog ontoereikend

De in oktober 1991 door staatssecretaris Kosto gepresenteerde nota "TBS, een bijzondere maatregel' meldt dat in Nederland elke maand een tbs-gestelde zich al tijdens de behandeling schuldig maakt aan een ernstig geweldsdelict, binnen of buiten de inrichting. Vooral bepaalde categorieën seksuele delinquenten, zoals plegers van ontucht met jonge kinderen vervallen vaak in herhaling. Zij hebben een kennelijk niet uit te roeien behoefte hun seksuele fantasieën in de praktijk te brengen.

Vandaag wordt 49-jarige Assenaar M.S. voorgeleid. De zaak zal voor nader onderzoek in het Pieter Baancentrum enige tijd worden aangehouden. M.S. heeft bekend in de afgelopen twee jaar een Nederlands meisje (11) en twee Duitse jongetjes (13 en 10) te hebben vermoord.

S. zat van 1981 tot 1987 in een kliniek na een veroordeling tot zes jaar cel en ter beschikking stelling (tbs) wegens ontucht met acht kinderen. In 1987 werd S. tegen het advies van de behandelaars door de rechter in vrijheid gesteld.

Begrijpelijk was er veel commotie, toen eind november vorig jaar bekend werd dat S. tegen dat advies in was ontslagen. Immers, de veiligheid van de samenleving is in het geding. De vraag rijst wat eigenlijk de zin is van een tbs-oplegging en welk effect een behandeling in een tbs-kliniek heeft.

Vooralsnog blijft onduidelijk of er een relatie is tussen de door S. bekende moorden en de ontucht die hij in het verleden pleegde. Het is bovendien de vraag of de behandelaars in 1987 aan de rechter begrijpelijk konden maken dat, en waarom, S. niet in vrijheid mocht worden gesteld. Want helaas zijn de adviezen voor verlenging van de tbs-behandeling niet altijd gebaseerd op overtuigende gronden.

In Nederland leidt het forensisch onderzoek door een gedragsdeskundige eerder tot een uitspraak over de persoonlijkheid van de verdachte in het algemeen dan over de vraag waarom die verdachte nu juist op dát moment dát delict beging. Wel stelt een psycholoog of psychiater vast in hoeverre de verdachte toerekenbaar was voor zijn handelen op het moment dat hij het delict pleegde. Op basis hiervan kan geadviseerd worden tot een tbs. Het dr. F.S. Meijers Instituut in Utrecht bepaalt in een later stadium waar de tbs-behandeling kan worden toegepast. Daarbij wordt over het algemeen geen rekening gehouden met het soort delict dat de tbs-gestelde heeft gepleegd. De vraag rijst of dat laatste terecht is.

Bijna eenderde van alle ter beschikking gestelden heeft een seksueel delict gepleegd. Hoewel de gemiddelde totale behandelduur van zulke delinquenten in een tbs-kliniek twee jaar langer (acht jaar) is dan van andere veroordeelden, leidt dat niet tot een lagere recidive bij de eerste groep.

Integendeel, 34 procent van degenen die voor een seksueel delict tot tbs zijn veroordeeld plegen binnen een gemiddelde periode van vijf jaar weer een vergrijp met geweldpleging. Van de voor een vermogensdelict tbs-gestelden recidiveert twintig procent en van de niet-seksuele geweldsdelinquenten slechts tien procent. In werkelijkheid liggen die percentages hoger, omdat niet alle gepleegde delicten bekend worden. Dat is vooral het geval bij zedendelicten, omdat de slachtoffers daarvan veel minder vaak aangifte doen dan bij andere geweldsdelicten.

Helaas wordt in de behandeling onvoldoende aandacht besteed aan de specifiek-seksuele motieven die aan het plegen van een seksueel delict ten grondslag liggen. De nadruk ligt over het algemeen bij oorzaken als vroegkinderlijke verwaarlozing of andere traumatische ervaringen van de delinquent.

Seksuele delinquenten staan in de gevangenis of een tbs-kliniek in de sociale hiërarchie op de onderste sport van de ladder. Dat kan ertoe leiden dat zij niet over hun seksuele voorkeur en fantasieën willen praten. Voor een doelmatig diagnostiek en behandeling is dat laatste nu juist noodzakelijk.

Het is dan ook onbegrijpelijk dat de nota-Kosto de tbs-klinieken alleen wil onderscheiden naar de verschillende persoonlijkheidsstructuren van de delinquenten. Kosto ziet geen redenen voor seksuele delinquenten een aparte kliniek op te zetten.

Om inzicht te krijgen in de beweegredenen tot het plegen van een seksueel delict is over het algemeen ook een seksuologische rapportage vereist. Een goede taxatie van het seksuele delict en van de achtergronden daarvan, en een evenwichtige diagnostiek van de persoon kunnen licht werpen op de vraag waarom de dader op dát moment tot dát (seksuele) delict kwam. Dat inzicht kan leiden tot een doelmatig behandelplan, en tot een betere voorspelling van de kans dat een seksuele delinquent in herhaling zal vervallen.

S. werd in 1987 mede vrijgelaten omdat hij toen een vriendin had. Waarschijnlijk verkeerde de rechter in de veronderstelling dat de specifiek-seksuele voorkeur van S. voor kinderen veranderd was. Helaas is er, naar ik vermoed, geen analyse gemaakt van de seksuele fantasieën van S. Als dat wel was gebeurd, had men er achter kunnen komen, of en in welke mate hij ook agressie in zijn seksuele fantasieën hanteerde.

De Amerikaanse gedragswetenschapper Prentky onderscheidt verschillende soorten ontuchtplegers met kinderen. Volgens hem is er slechts bij enkelen sprake van een sadistische factor in hun seksuele voorkeur. Dat sadisme kan beperkt blijven tot pijn willen doen, maar soms gaat de seksuele agressie zo ver dat de ontuchtpleger het slachtoffer ook wil martelen of doden.

Ik hoop dat er bij de beoordeling van wat er met S. moet gebeuren speciale aandacht zal worden besteed aan de motieven voor zijn handelen. Het is vooral belangrijk te weten of en in hoeverre er een verband bestaat tussen zijn seksuele voorkeur, zijn fantasieën en de door hem gepleegde delicten. Als er sprake is van zo een samenhang, dan zal een eventueel in te stellen behandeling zich moeten richten op de verandering of beheersing van zijn seksuele voorkeur. Een goed voorbeeld van de door mij bepleite behandeling voor pedofielen was op 21 mei 1991 op de televisie te zien. Het Vara-programma Impact toonde de confronterende maar tegelijk ook empathische werkwijze in de Engelse kliniek Gracewell.

Het is in het belang van de hele samenleving seksuele delinquenten als S. zo te behandelen dat de kans op herhaling van hun afwijkende gedrag zo gering mogelijk is. Helaas is dat over het algemeen in Nederland nu nog niet het geval.