"Batikdoeken worden niet alleen gekocht om te dragen, maar ook als belegging'; Vlisco zoekt nieuwe markten voor imitatiebatiks

Afrika verarmt. De afnemende koopkracht is al sinds een aantal jaren niet meer beperkt tot een aantal landen, maar merkbaar op het hele continent. De verarming heeft de meeste gevolgen voor de laagste inkomensgroepen maar raakt ook de middengroepen. Bedrijven die produkten naar Afrika exporteren, merken dat het bestedingspatroon van het middensegment buitengewoon voorzichtig is geworden.

Voor de Helmondse textieldrukkerij Vlisco (onderdeel van Gamma Holding), voor haar afzet bijna helemaal afhankelijk van West- en Midden-Afrika, heeft dat tussen 1986 en 1988 al geleid tot een omzetdaling van twintig procent. Door natuurlijk verloop verdwenen tegen de tweehonderd arbeidsplaatsen. De directie hield het personeel voor dat spoedig herstel mocht worden verwacht. Dat is niet gebeurd. De omzet die in 1990 nog twee procent terugliep en 239 miljoen gulden bedroeg, is vorig jaar op hetzelfde niveau gebleven. Daarom wordt nu naar nieuwe afzetgebieden gezocht in Afrika en Zuid-Amerika.

Vlisco werd in 1846 opgericht door Pieter Fentener van Vlissingen en heeft zich altijd gericht op de produktie van imitatiebatiks of waxprints. Dat zijn machinaal geproduceerde imitaties van Javaanse batikstoffen. De Engelse benaming waxprint duidt op het produktieproces waarbij met was of hars motieven op de stof worden aangebracht voordat deze in een verfbad komt. Door het breken van de was ontstaat het voor deze stoffen zo typerende craquelé-effect.

Vlisco's imitatiebatiks waren eerst alleen bestemd voor Nederlands-Indië, maar worden sinds het laatste kwart van de vorige eeuw ook naar West-Afrika geëxporteerd.

De Westafrikaanse bevolking maakte kennis met batikdessins door de Afrikanen die tussen 1833 en 1872 door het Nederlands Oostindisch leger in de Goudkust (Ghana) gerekruteerd werden als soldaten voor Java. Bij terugkeer naar Afrika na afloop van hun diensttijd namen de "blanda items' (zwarte Hollanders), zoals de negersoldaten op Java genoemd werden, gebatikte sarongs, kebaja's en slendangs mee naar huis.

In de jaren dertig ging Nederlands-Indië voor Vlisco als markt verloren door maatregelen ter bescherming van de binnenlandse batikindustrie. Vanaf die tijd stemt het bedrijf z'n imitatiebatiks af op de Afrikaanse smaak door toepassing van fellere kleuren en grotere motieven. Tot 1986 was er in de Westafrikaanse markt sprake van ongebreidelde bestedingsgroei. Bij Vlisco werkten in dat jaar 1200 mensen. Via natuurlijk verloop is dat aantal teruggebracht tot 1000.

Volgens drs. F.G.L. van Rood, hoofd van de afdeling artikelontwikkeling en vormgeving, is de teruggang nu gestopt en blijft de omvang van de markt vrij stabiel. Van Rood: “We zitten nu op een harde kern van gebruikers. Dat zijn de mensen die het zich kunnen permitteren om meermalen per jaar een doek te kopen. De meeste Afrikanen bezitten maar een of twee doeken, maar de rijksten hebben wel honderd stuks. Die doeken worden niet alleen gekocht om te dragen, maar ook als belegging. Omdat het geld soms snel z'n waarde verliest, wordt belegd in bijoux, goud en textiel. De Vlisco-stoffen gelden door hun kwaliteit als goede belegging.”

De middengroepen, die zich door de afnemende koopkracht nauwelijks meer de prijzige Vlisco-stoffen kunnen veroorloven, kopen nu lokaal bedrukte textiel. Er zijn sinds 1965 elf waxprintfabrieken in Afrika gekomen. Vlisco participeert in drie van deze bedrijven, in Ghana, Ivoorkust en Zaïre. Het neemt deel in het risicodragend kapitaal en levert technische kennis. Het Ghanese bedrijf is intussen voor Vlisco en z'n partners verloren gegaan: het is genaast door de regering van dat land. Vlisco's grootste concurrent is een Nigeriaanse producent van Chinese afkomst die de dessins van de Helmondse drukkerij kopieert en met z'n goedkope imitaties van de Nederlandse waxprints de Afrikaanse middengroepen bedient. Een bijkomend nadeel voor Vlisco is dat door deze kopieerpraktijken de levensduur van de Helmondse dessins negatief wordt beïnvloed.

Verarming van de Afrikaanse bevolking, concurrentie en een toenemende invloed van de Westerse mode op het Afrikaanse kleedgedrag maken het voor Vlisco noodzakelijk om nieuwe afzetgebieden te zoeken. Van alle tot nu toe onderzochte markten lijkt Zuid-Afrika de beste mogelijkheden te bieden. De zwarte Zuidafrikanen gaan meestal Westers gekleed, maar als gevolg van het groeiend bewustzijn van de eigen identiteit wordt bij bijzondere gelegenheden steeds vaker etnische kleding gedragen. Voor die kleding worden stoffen uit onder andere Zaïre geïmporteerd. Vlisco zoekt op het ogenblik agenten in Zuid-Afrika en tracht er tegelijkertijd achter te komen welke dessins het meest in de smaak vallen bij de verschillende groepen zwarte Zuidafrikanen.

Ook in Zuid-Amerika zoekt Vlisco naar nieuwe afzetmogelijkheden. Het onderzoek heeft zich tot nu toe beperkt tot Brazilië, waar 32 procent van de bevolking zwart is. De donkere Brazilianen komen van oorsprong uit Afrika, maar van een eigen Afrikaanse cultuur is geen sprake meer. Toch ziet Vlisco perspectief in Brazilië, als tenminste de invoerrestricties worden versoepeld.

Van de Westerse markt heeft Vlisco geen hoge verwachtingen. Het bedrijf presenteert zich sinds acht jaar met het merk Bouboudima op Europese stoffenbeurzen. De Bouboudima-collectie bestaat uit imitatiebatiks die enigszins zijn aangepast aan de smaak van de Westerse consument. Behalve in West-Europa worden deze stoffen verkocht in Noord-Amerika, het Caraïbisch gebied en het Midden- en Verre Oosten. Het afgelopen jaar daalde de omzet van Bouboudima op de Britse markt als gevolg van de inflatie tot vrijwel nul.

Om een sterkere positie te krijgen op de Westerse markt zouden de Bouboudima-collecties moeten worden afgestemd op de heersende mode.“Maar dat willen we niet”, zegt Van Rood. “We willen absoluut niet de kant van de mode opgaan. Modestoffen maken betekent heel snel zijn en kleine partijen produceren. Daarop is ons bedrijfsritme niet ingesteld. Bovendien zijn we te duur voor modestoffen. We willen datgene blijven doen wat we goed kunnen en waar we ook uniek in zijn: het maken van prachtige waxprints.”

Van Rood zit enkele maanden per jaar in Afrika om te zien welke dessins er aanslaan, want al zijn de waxprints niet onderhevig aan modewisselingen zoals wij die kennen, er is wel steeds vraag naar nieuwe motieven en kleuren. Om aan die vraag te beantwoorden, produceert de ontwerpafdeling van Vlisco jaarlijks 200 nieuwe dessins.

Van Roods belangrijkste informatiebron zijn de "mammies benz', de in alle opzichten gewichtige stoffengrossiersters die hun bijnaam te danken hebben aan de Mercedessen waarin ze zich voortbewegen. De mammies vormen de schakel tussen de Westerse distributeurs en de inheemse handelaren. Zij bepalen ook meestal de namen van de dessins. Soms hebben die namen betrekking op de motieven, maar meestal verwijzen ze naar actuele gebeurtenissen op het gebied van politiek, sport, cultuur of godsdienst of naar liefde en seks.

Van Rood: “Afrikanen zijn in hun gedrag nogal preuts, je ziet bijvoorbeeld zelden dat ze elkaar kussen op straat. Maar er wordt wel veel gepraat over seks en ook via hun kleding maken ze duidelijk waar ze al of niet behoefte aan hebben. Een vrouw die vandaag geen zin heeft in haar man trekt een jurk met cactussen aan. Een vrouw die graag wil trouwen draagt een stof met de naam "You can come to me empty-handed, if you want to marry me'. Het succes van een dessin is mede afhankelijk van de naam. Een populair dessin op dit moment bestaat uit twee vogels omgeven door een ring. De naam is "Anti-aids'.”