Basisstelsel

Nederland zit vol calculerende burgers. Daarom moet de overheid waar mogelijk de band tussen genieten en betalen verstevigen, juist ook bij de sociale uitkeringen. Dat kan, wanneer Nederland kiest voor een collectief georganiseerd basisstelsel van sociale zekerheid. Ten onrechte wijst de commissie-Wolfson in haar rapport Niemand aan de kant de invoering van zo'n "ministelsel' af.

Kenmerkend voor een basisstelsel is dat boven het door de overheid gewaarborgde sociaal minimum de collectief georganiseerde sociale zekerheid ophoudt. Werknemers die bij ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid een hogere uitkering wensen dan dit sociaal minimum, zullen zich individueel en op vrijwillige basis moeten bijverzekeren. Hoe hoog hun premie wordt, hangt ten dele af van de bedrijfstak waarin zij werken en van hun gezondheid. Werknemers van een bedrijf kunnen ook afspreken dat zij gezamenlijk een aanvullende verzekering afsluiten.

Worden verzekeringen per bedrijf afgesloten, dan krijgt de werkgever een prikkel om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. De verzekeraar zal een lager ziekteverzuim en minder uitstoot van werknemers naar de WAO immers belonen met premieverlaging.

Iedereen gaat er door invoering van het basisstelsel in eerste aanleg netto flink op vooruit. Samen behoeven werknemers, werklozen en arbeidsongeschikten namelijk acht miljard gulden minder aan premies voor WAO, WW en Ziektewet op te brengen.

Werknemers maken vervolgens zelf uit of zij de resulterende koopkracht verbetering willen gebruiken om een video te kopen of om te sparen voor kwade tijden. Zij kunnen ook beslissen om zich bij te verzekeren voor een bovenminimale uitkering. Daarbij kunnen zij de polisvoorwaarden precies afstemmen op hun persoonlijke voorkeur en omstandigheden. In een aantal gevallen zal de particuliere premie hoger zijn dan het bedrag waarmee de sociale premies dalen. Per saldo kan het ministelsel koopkracht kosten, vooral voor hoger betaalden. Zij zullen vaak een hoog bedrag willen bijverzekeren om na een ongeval niet te veel inkomen te verliezen.

Bijna de helft van de werknemers (mensen met de lage lonen) gaat er bij invoering van een basisstelsel niet op achteruit. Werknemers die minder verdienen dan bruto 40.000 gulden per jaar (bijna modaal) krijgen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid ook nu al een minimumuitkering. Dat verandert niet. Minder dan modaal verdient 78 procent van de alleenstaanden en 44 procent van de alleenverdieners.

Het basisstelsel blijft een verzekering, het is geen sociale voorziening. De basisuitkering wordt dus niet gekort wegens vermogensopbrengsten of bij aanwezigheid van een verdienende partner. Dat is het grote verschil met de bijstand, waar met andere inkomsten of verdiensten van de partner wel rekening wordt gehouden.

Het basisstelsel schept voorts maximale duidelijkheid. Het biedt een uitweg uit de bestaande doolhof van sociale wetten en loketten. Iedereen krijgt een even hoge uitkering. Op dit moment bedraagt dat sociaal minimum 1700 gulden netto per maand. Het minimum gaat omhoog, door de verlaging van de collectieve premies. Hiermee gaat een langgekoesterde wens van links in vervulling: de bodemuitkeringen krijgen er netto iets extra's bij. Duidelijk is dat iedereen voortaan zijn uitkering aan hetzelfde loket kan halen. De uitvoering van de sociale wetten wordt hierdoor jaarlijks honderden miljoenen guldens goedkoper.

Het basisstelsel is dus aantrekkelijk voor mensen met een lager inkomen. Zij hebben er niets bij te verliezen, integendeel, hun netto uitkering gaat zelfs omhoog (door premieverlaging) en de betaalbaarheid van hun uitkering blijft langer gewaarborgd. Het basisstelsel is ook aantrekkelijk voor mensen met een hoger inkomen, omdat zij eveneens premieverlaging krijgen en zelf de vrijheid hebben zich al dan niet particulier bij te verzekeren. Hierdoor neemt hun welvaart toe.

Particuliere verzekeraars zien ongetwijfeld brood in een basisstelsel. Zij sluiten al sinds jaar en dag verzekeringen af tegen inkomensverlies door ziekte en arbeidsongeschiktheid. Die polissen worden op het ogenblik gekocht door zelfstandige ondernemers en door de bestbetaalden in het bedrijfsleven, die een maximum WAO-uitkering van bruto vijftigduizend gulden per jaar te laag vinden.

Iedere verzekeraar loopt met een wijde boog om het werkloosheidsrisico heen. Dat risico valt niet te ramen. Raakt de economie in een recessie, dan stijgt het uitgekeerde bedrag zo rap, dat geen reservepot daartegen is opgewassen. Dat de verzekeringsmarkt hier faalt, is onvermijdelijk. Daarom moet het werkloosheidsrisico collectief worden afgedekt, alleen minder royaal dan nu. Wie dat risico kent, kan tijdig sparen voor magere jaren. Door de overheidsgarantie tot het basisbedrag kan geen werkloze door het sociaal minimum zakken.

Twee hoofdbezwaren van de tegenstanders kunnen eenvoudig worden weerlegd. Zij duiken ook op in het rapport van de commissie-Wolfson. Ten eerste zouden sommigen zich in een basisstelsel niet kunnen bijverzekeren, bij voorbeeld omdat zij een veelbewogen ziektegeschiedenis hebben of in een risicovolle bedrijfstak werken. Deze tegenwerping snijdt hout. Voor zulke "slechte risico's' kan de overheid echter een standaardpakket met acceptatieplicht voor erkende verzekeraars voorschrijven, zoals dat nu gebeurt bij de particuliere ziektekostenverzekering.

Ten tweede zou invoering van een basisstelsel de maatschappelijke steun voor het stelsel van sociale zekerheid ondergraven, omdat de middengroepen er niet langer belang bij hebben het in stand te houden. Dit argument faalt, omdat alle sociale lagen een even groot belang bij het basisstelsel hebben. Ieders aanspraak op een uitkering is immers even groot? We kennen dit systeem al bij het ouderdomspensioen. Iedereen krijgt AOW (een minimumuitkering). Het staat iedereen vrij om zich daarnaast bij te verzekeren, individueel of via de arbeidsvoorwaarden (aanvullende pensioenen). Niets wijst erop dat deze opzet het maatschappelijk draagvlak van de AOW ook maar enigszins heeft aangetast.

Invoering van het basisstelsel verdient op grond van de genoemde argumenten ernstig overweging.