Zuipschuit Enver

In Ganjiakou in het noordwesten van Peking staat een groepje gele ommuurde gebouwen in islamitische stijl met opschriften in Arabisch schrift. Het is het "Kantoor van de regionale volksregering van het Xinjiang Uygur Autonoom Gebied', China's uitgestrekte moslimdomeinen, 3.000 km naar het westen, die nu grenzen aan drie nieuwe onafhankelijke staten, Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan.

Even verderop is een straat met moslimrestaurants aan beide kanten. Venters die eruit zien als Turkse "gastarbeiders' staan in de vrieskou achter hun barbecue-ovens lange spiezen "shish-kebab' aan te prijzen. Op sommige uithangborden staat in het Chinees "eten met de hand', kennelijk een waarschuwing voor Chinezen die van schapenvlees houden dat zij geen eetstokjes moeten verwachten. Ook in de zijstegen is het niets dan eethuisjes, ter grootte van een klein huiskamertje met een potkacheltje. Ik wandel binnen. De muren hangen vol kalenderfoto's met Middenoosterse taferelen en monotone Arabisch-Turkse muziek dreunt eindeloos.

In de hoek zit een jonge vrolijke figuur met zijn vriendin en vraagt of ik erbij kom zitten. Hij spreekt Chinees met een zwaar accent, maar is goed te verstaan. Hij stelt zich voor als Enver Yilmaz, beroep loshandelaar. Ik scherts dat je een halve pagina met dezelfde naam in het telefoonboek van Istanboel kunt vinden. “Ja natuurlijk”, zegt hij. “Van Albanië tot Mongolië zijn we één grote Turkse familie.” Op tafel staan twee borden dikke bami met een soort schapenvleesragout en twee rijstkommen thee. Een derde kom wordt aangeschoven voor mij. Het is mierzoet.

Ik vraag of ze bier hebben. De dienster gaat aan de overkant van de steeg de baas halen, een oude Oeigoer met een antiek brilletje en een toppah, een donkergroen geborduurd kalotje op. Hij begint Enver uit te foeteren dat er geen bier verkocht wordt. Hij is immers een goede moslim. Enver zegt dat wij na het eten ergens anders bier gaan drinken en hij slurpt zijn bord met vette bamislierten leeg. We wandelen weg op zoek naar een volkscafeetje, maar het is koud en laat en alles is dicht. Ik vertel hem dat ik op korte termijn naar Xinjiang wil om daar de nieuwe politieke atmosfeer na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie te testen. Enver zegt: “Onafhankelijkheid is natuurlijk ook ons ideaal, maar de Chinezen zullen ons nooit loslaten. Weet je wat ze wel doen om ons binnen China zoet te houden ? Ons vrijheden geven waar de Chinezen nooit van kunnen dromen. We mogen alles.”

Net als andere minderheden mogen ze in de eerste plaats onbeperkt kinderen krijgen. De Oeigoeren zijn de meest vogelvrije klasse van zwervende kooplieden die in alles handelen, rozijnen, zijde, buitenlandse valuta, drugs en zelfs vrouwen. Voor de gemiddelde Chinees is het woord Oeigoer identiek met smokkelaar, zwarthandelaar, illegale geldwisselaar, zo niet erger. Chinezen zijn bang voor hen en zelfs de politie is bang, want als ze hun zin niet krijgen loopt alles meteen uit de hand. In Ganjiakou wordt dan ook bijna dagelijks gevochten. Politie blijft uit de buurt en komt hooguit om Chinezen die met messen bedreigd worden te ontzetten.

We komen langs een klein winkeltje waar bier verkocht wordt. Enver koopt drie flessen. Met de ene fles wipt hij de dop van mijn fles af en die van hemzelf opent hij met zijn tanden. Hij slokt de fles op straat in één teug leeg en begint aan zijn tweede. “Ik kan drinken als een vis. Vraag in de bazaars van Korla, Aksu en Kashgar (drie grote steden in Xinjiang) naar zuigui (zuipschuit) Enver. Iedereen kent mij.” Hij wijst op het naburige Xiyuan Hotel, een groot staatshotel nieuwe stijl. “Daar komen de rijke Oeigoerse kooplui samen en daar zitten de mooiste Chinese vrouwen. Zij noemen ons halve buitenlanders, want we hebben geld. Overal voert de politie campagnes tegen prostitutie, pornografie, etcetera, maar bij ons blijven ze uit de buurt. Ik ben pas 25 en nog niet rijk genoeg. Daarom ga ik met mijn vriendin naar een kleine herberg.” Ik vraag of hij een goede moslim is. “Als ik in de buurt van mijn ouders ben wel. Anders ben ik, net zoals jullie westerlingen, een vrije levensgenieter. Elke Chinees die daarbij in de weg loopt krijgt moeilijkheden!”