Veroordeling VN dreigt voor Indonesië

GENÈVE, 27 JAN. Indonesië zal niet aan een veroordeling kunnen ontkomen in de commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties, die vanaf vandaag zes weken bijeen is. Het kritische verslag over martelingen in Indonesië van prof. P.H. Kooijmans, de speciale VN-rapporteur, draagt genoeg munitie aan voor een scherpe resolutie, zo menen experts in de mensenrechten.

“Dit is een unieke kans, de kaarten liggen gunstiger voor een veroordeling van Indonesië dan de afgelopen jaren”, zegt de Zwitser Adrien-Claude Zoller, net terug van een rondreis door Azië. Als directeur van Service International, een samenwerkingsverband van enkele van de honderd NGO's, niet-gouvernementele organisaties met spreekrecht in de VN-commissie, verzamelde hij getuigenissen over de schietpartij in Oost-Timor op 12 november vorig jaar.

In Macao heeft hij uit Oost-Timor gevluchte ooggetuigen van de schietpartij gesproken. Op basis van gesprekken met twee Oosttimorese rooms-katholieke geestelijken concludeert hij dat na het bloedbad, waarbij 50 tot 60 doden vielen, nog eens tientallen gearresteerde deelnemers zijn doodgemarteld, enkele dagen na de demonstratie op het kerkhof nabij de hoofdstad Dili. Van sommigen zijn de lichamen met stenen verzwaard in zee geworpen. “Onmiddellijk na het bloedbad stelden de Indonesische autoriteiten een visverbod in rond het eiland”, zegt Zoller, “uit vrees dat in zee gedumpte lichamen door vissers zouden worden opgepikt”.

Vertegenwoordigers van Amnesty International beschouwen het rapport van Kooijmans eveneens als overtuigend belastend materiaal om Indonesië in VN-verband aan te pakken. Tot dusver bleef een veroordeling van Indonesische schendingen van de mensenrechten, onder andere van de bloedige politiële actie tegen misdadigers in de jaren tachtig, steken in de sub-commissie, een adviserend VN-orgaan van 26 onafhankelijke experts. Enkele resoluties van de sub-commissie over de nimmer door de VN erkende inlijving van Oost-Timor in 1976 zijn door de 43 regeringsvertegenwoordigers in de commissie nooit overgenomen. Politieke en economische belangen van het olierijke en dichtstbevolkte moslimland verhinderden dat.

Kooijmans was geen ooggetuige, maar hij was wel tijdens het bloedbad in november in Oost-Timor. Kooijmans concludeert dat in Indonesië veelvuldig wordt gemarteld. Het is voor het eerst dat de VN deze praktijk onomwonden bevestigen.

Zollers Service International en ook de rest van de NGO-gemeenschap is ernstig bezorgd over het gematigde standpunt van Nederland en Australië. Beide landen betrachten grote terughoudendheid in hun beoordeling van en reactie op de schietpartij. Ook de positie van Kooijmans is tweeslachtig. Behalve onafhankelijk rapporteur aan de VN-commissie is hij nu tevens leider van de Nederlandse delegatie. Kooijmans zal derhalve in een debat over een eventuele VN-actie tegen Indonesië het regeringsstandpunt vertolken. Nederland is na zeven jaar afwezigheid weer lid van de commissie, die nu van 43 tot 53 lidstaten is uitgebreid.

Zoller noemt de snelle hervatting van Nederlandse ontwikkelingshulp aan Indonesië een slecht teken. Ook Australië wil zijn goede betrekkingen met Indonesië niet op het spel zetten, zo heeft hij in Canberra te horen gekregen. De vraag is in hoeverre EG-voorzitter Portugal, dat tot 1976 de koloniale machthebber was op Oost-Timor, de rest van de EG zal kunnen overhalen om Indonesië scherp terecht te wijzen, dan wel een internationaal onderzoek af te dwingen. De algemene opvatting onder deskundigen van de NGO's is: als het nu niet lukt om Indonesië in VN-verband aan te pakken, dan lukt het nooit meer.

Veel verzet verwachten zij van de elf landen van het Aziatische blok in de VN-commissie, onder aanvoering van China. Premier Li Peng is druk doende na de onderdrukking van de democratische beweging in 1989 het prestige van de Volksrepubliek op te poetsen met een reis door Zuid-Europa, Zwitserland en naar de VN in New York.

In 1990 glipte China door het oog van de naald. Een VN-resolutie in de commissie over het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking haalde het net niet. Voor het eerst in veertig jaar kwam in september 1991 wel een langverbeide resolutie over China's optreden in Tibet in stemming in de suub-commissie. De 26 experts in dat orgaan, onder wie voor het laatst de Nederlandse hoogleraar prof. Theo van Boven, adviseerden de VN-commissie, het voornaamste controle-orgaan op het gebied van mensenrechten, om China “in studie te houden”, de eerste aanzet tot VN-bemoeienis.

Veel zal afhangen van de houding van de VS. Washington stuurt vice-president Dan Quale naar Genève. Hij zal een oud Amerikaans initiatief bepleiten: Cuba verdient het zwaarste middel dat de VN-commissie ter beschikking staat: de aanstelling van een speciale rapporteur, om de schendingen op het eiland aan de kaak te stellen. Of er daarnaast tijd en energie overblijft voor China of Indonesië valt, afgaand op voorgaande zittingen van de commissie, sterk te betwijfelen.