Joodse kolonisten brengen toekomst Jeruzalem in gevaar; Preoccupatie met de historie

Ik ben geen filosoof, maar geloof in praktisch denken. De overhaaste invasie van joodse kolonisten in het dorp Silwan bij Jeruzalem mag dan legaal zijn, zij is ook immoreel en vooral heel onpraktisch. Silwan is een dorp even ten zuiden van de Oude Stad. Op deze plaats lag de stad van David, waarvan een gedeelte is opgegraven en als archeologisch park is opengesteld voor het publiek. Hoewel er in het verleden ook joodse families woonden, werd Silwan de afgelopen tien jaar voornamelijk bewoond door Arabische moslims. De wijk heeft op het ogenblik ongeveer dertigduizend inwoners.

Op 9 oktober 1991 slopen extreem-nationalistische joodse kolonisten naar binnen onder bescherming van het nachtelijk duister om enkele huizen te betrekken die zij met medewerking van het Ministerie van Huisvesting hadden verworven. De dag erna werden zij op last van een voorlopig gerechtelijk bevel uit alle huizen - op één na - gezet. Op grond van een regeringsbesluit van 8 december kregen zij toestemming weer terug te keren. Zij beweren dat ze zijn begonnen met het kopen of pachten van veel meer huizen in de buurt. Naar ik heb begrepen zijn de controversiële gebeurtenissen in Silwan een slecht voorteken voor de Arabische inwoners. Voor de joden zijn ze echter een nog slechter voorteken.

Want wij prezen ons gelukkig om Jeruzalem, de hoofdstad van Israel, weer verenigd te zien; dat is een groot goed en een grote uitdaging. Het was onze heilige taak niet alleen de stad te beheren, maar ook te verbeteren en te verheffen. Jeruzalem was altijd een lichtend voorbeeld voor de naties en moet dat ook blijven. Dat voorbeeld zou duidelijk moeten maken dat het mogelijk is dat joden, moslims en christenen in harmonie met elkaar leven in dit over het algemeen licht ontvlambare deel van de wereld. De Arabieren zullen niet vertrekken, maar wij ook niet. Leren met elkaar te leven is daarom simpelweg de enige oplossing. Niet in de laatste plaats omdat het coëxisteren van Arabieren en joden zo moeilijk te bereiken was en zo regelmatig is gedwarsboomd bij de conflicten in de afgelopen tien jaar. Hun coëxistentie in Jeruzalem is een kostbaar succes, ook al is die niet volmaakt, en dat niet alleen omdat het samenleven van Arabieren en joden zo moeilijk te verwezenlijken is. Jeruzalem is een uitzondering op de regel. Ik ben me ervan bewust dat er in beide gemeenschappen veel tegenstanders zijn van een coëxistentie van joden en Arabieren. En toch hebben we in deze gemeenschap al bijna een kwart eeuw ernaar gestreefd de Arabieren gelijkwaardige burgers te maken, met dezelfde rechten als de joodse inwoners.

Hiervoor zijn drie redenen. In de eerste plaats is het fatsoenlijk. In de tweede plaats omdat het "ons', en ik bedoel hiermee de joden, de enige kans biedt hier in vrede te leven. En in de derde plaats omdat het een levende weerlegging is van een gevoel dat bij sommige joden heeft postgevat, namelijk dat de hele wereld toch tegen ons is en we daarom haar oordeel kunnen negeren. Dit fatalisme is een monumentale vergissing, in politiek, diplomatiek, en moreel opzicht.

Ik heb onderhandeld met alle regeringen van Israel, zowel die van de Arbeiderspartij als van Likud, maar tot mijn teleurstelling heeft niet één partij, eenmaal in de regering, Jeruzalem behandeld als een unieke stad met een speciale status en speciale behoeften. Sinds Likud aan de macht kwam in 1977 is er echter iets veranderd. In plaats van een beleid te voeren dat is gericht op het langzaam maar gestaag vergroten van de wederzijdse tolerantie van het volk - zoals die van oudsher bestond in de Heilige Stad, die een mozaïek is en geen smeltkroes - heeft de regering zich niet ontzien de Arabische bevolking te pesten en te intimideren. En het stadsbestuur van Jeruzalem heeft geen effectieve mogelijkheden in dit proces tussenbeide te komen: onze macht is sterk beknot door de Israelische regelgeving voor de lokale overheid, een erfenis van het Britse koloniale bestuur, dat de hoogste autoriteit opdroeg aan de nationale regering. Acties als die in Silwan onthullen een beleid dat is gebaseerd op de onrealistische veronderstelling dat, met voldoende pressie, de Arabieren uiteindelijk hun biezen zullen pakken. Er zijn extreem-nationalistische politici die deze hoop openlijk uitspreken. In werkelijkheid echter heeft dit door Likud - soms openlijk, en soms bij gebrek aan verzet - aanvaarde beleid het tegenovergestelde resultaat tot gevolg. Het vergroot de vijandschap en het versterkt het Arabische verzet tegen compromissen en coëxistentie.

En daardoor keert de wereld zich tegen ons en wordt de aandacht afgeleid van de geweldige talenten van de stad, waarvan alle inwoners hebben geprofiteerd en richt alle aandacht zich op de problemen. Dit beleid polariseert ook onze eigen gemeenschap. Het zaait tweedracht en het brengt ons moreel uit ons evenwicht, want sommigen verheugen zich terwijl anderen treuren om de schade die zij de staatkundige beginselen van de onafhankelijke joodse staat van 1948 hebben toegebracht.

De provocaties van Likud in Jeruzalem dateren al van het begin van haar regering. In 1978 begon men met een geleidelijke infiltratie van de Arabische buurten met joodse enclaves; in eerste aanleg met de stichting van twee traditionele joodse scholen en de toewijzing van enkele appartementen in de moslim-wijk van de Oude Stad. Ariel Sharon, toen net als nu lid van de regering, verhuisde naar een appartement dat hij zelden bezoekt, maar dat wel 24 uur per dag zwaar moet worden bewaakt. De drijfveer hiervoor is het recht dat joden hebben zich overal in Jeruzalem te vestigen. Het is een recht dat ik in principe niet bestrijd, hoewel ik wel het standpunt weerleg dat de discussie over deze provocaties daarmee eindigt. Er wordt ook beweerd dat de aanwezigheid van joden in de moslim-wijk of in Silwan de veiligheid zou bevorderen. Maar het is de zware politiebewaking, die voor hun bescherming nodig is, en niet de aanwezigheid van joodse kolonisten, die de veiligheid vergroot. Bovendien wordt de Arabische bevolking steeds radicaler gemaakt en lijden andere politietaken onder gebrek aan mankracht.

In 1990 deed zich de kwestie voor van het St. John's verpleeghuis, een gebouw dat eigendom is van de grieks-orthodoxe kerk en dat ten behoeve van joodse kolonisten van de Armeense huurders was "verworven'. De wettigheid van de transactie wordt nog onderzocht door de rechtbank. Maar wat die ook zal beslissen, we lijden onder de betreurenswaardige gevolgen. Veel christenen en hun kerken, die al lange tijd anti-israelische gevoelens koesterden, zijn door die zaak verder van ons vervreemd.

Net als in Silwan is het hierbij niet de vraag of de transactie al of niet rechtmatig is. De aankopen mogen misschien door rechterlijke beslissingen worden geschraagd of "gewijd' zijn omdat een of ander gebouw vroeger in joods eigendom was of door joden werd bewoond. Maar laten we duidelijk stellen wat dit betekent. We moeten beseffen dat Arabieren niet kunnen terugkeren naar huizen in wat nu joodse buurten zijn, waaruit hun families vluchtten tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog. Achteraf beschouwd berustte een groot deel van Israels redenering van de afgelopen veertig jaar terecht op het standpunt dat de tijd niet kan worden teruggedraaid. We moeten beginnen bij het punt waar we vandaag zijn. Preoccupatie met de historie moge emotionele genoegdoening verschaffen, het is een recept voor politieke conflicten. Want de geesten die rondwaren in de straten en stegen van Jeruzalem zijn afkomstig van vele geloofsrichtingen en vele volken. De joodse kolonisten, die zweren bij de geschiedenis, denken dat zij het verleden eer aan doen, maar in werkelijkheid brengen zij de toekomst in gevaar. De schade die zij kunnen aanrichten gaat hun begrip te boven.

Het recente regeringsbesluit om enkele joodse families toe te staan zich te vestigen in Silwan is nog de meest verontrustende ontwikkeling. Verontrustend door de manier waarop die is uitgevoerd: de Arabische families werden midden in de nacht op straat gezet door vrolijk zingende en dansende kolonisten die de spot dreven met de treurige en hulpeloze Arabische bewoners. Ik twijfel er niet aan - en ik spreek uit jarenlange ervaring in delicate en bittere zaken - dat door de vestiging van de joodse kolonie in Silwan een voortdurende en kwalijke strijd tussen joden en Arabieren in deze stad zal ontbranden. Het zal de gesprekken over vrede zwaar belasten, niet in de laatste plaats doordat daarmee de kwestie-Jeruzalem weer bovenaan de diplomatieke crisisagenda komt te staan terwijl dit meest gecompliceerde onderwerp eigenlijk tot het laatst zou moeten worden bewaard.

Erger nog is dat het meeste geld voor deze provocatie afkomstig was van de regering, vermoedelijk van de begroting voor subsidies aan jonge echtparen en krepeergevallen. Intussen heeft het ministerie van huisvesting zijn toegezegde subsidies voor lage huurwooneenheden aan duizend nieuwe immigranten-gezinnen met lage inkomens weer ingetrokken. Waar heeft Jeruzalem meer behoefte aan? Aan vijf of twintig joodse families die op een irritante en oneerlijke manier aan een Arabisch wijk worden opgedrongen, of aan de huisvesting van duizend families die hun toekomst in de stad willen opbouwen? Jeruzalem heeft behoefte aan rust en - voor zijn economische ontwikkeling - aan investeerders en toeristen, om de Russische immigrantenstroom te kunnen verwerken. De verhuizing naar Silwan brengt ons niet dichter bij deze doelen.

Maar Silwan staat ook voor iets anders. Het betekent een afbraak van de coëxistentie en een gevaarlijk gebrek aan respect voor "de anderen' in onze samenleving. Het is een aanval op, en een belediging van, de jongste ervaringen van Jeruzalem. Want, ondanks de geschilpunten die soms opdoemen, heeft de dagelijkse gang van zaken in Jeruzalem sinds 1967 aangetoond, dat joden, moslims en christenen op vreedzame en produktieve wijze naast elkaar kunnen leven, verenigd in de liefde voor hun stad en vrij om te kerken en zich te ontwikkelen volgens hun eigen geloofsovertuigingen en tradities.

T. Kollek/NRC Handelsblad