"In ieders hoofd zit nog een kleine Stalin'; Ik ben een obstinate republikein, maar ik geloof in democratie; De Hongaren tonen aan meer te kunnen dan revoluties maken

Arpad Göncz, schrijver en president van Hongarije, is de minst bekende van de Oosteuropese staatshoofden - maar heeft meer bereikt dan zijn collega's. “Ik ben de morele bewaker, de bewaker van de wettelijkheid. Mijn conflicten met de regering waren niet te vermijden.”

BOEDAPEST, 27 JAN. “Ik geloof niet dat mijn rol nog controversieel is. Ik beledig niemand. Ik meng me niet in conflicten tussen partijen, of in wetten die op grond van sociale consensus tot stand komen. Ik heb nooit ontkend dat ik een obstinate republikein ben. Maar ik geloof in democratie, en de essentie van de democratie is het vrije debat en de groei van het aantal autonome individuen en organisaties,” zegt Árpád Göncz. En hij zegt: “Ik zie mezelf als een morele bewaker van de Hongaarse samenleving. Als een bewaker van de wettelijkheid binnen die samenleving.” En hij lacht, Árpád Göncz.

Hij lacht veel. De president van Hongarije is een warme, vriendelijke man van bijna zeventig, een witharige man met bruine ogen, klein in zijn reusachtige bureau in het parlementsgebouw aan de Donau, een grootvaderfiguur die zijn hand op je arm legt als hij je zelf is komen ophalen in de zaal met de wandschilderingen van taferelen uit de Hongaarse geschiedenis, de zaal waar hij de Thatchers en de Mitterrands ontvangt en de geloofsbrieven van ambassadeurs in ontvangst neemt. Maar onder die vriendelijkheid schuilt een ijzeren vastbeslotenheid, een ijzeren wil, waarop sommigen in het nieuwe Hongarije zich nog lelijk hebben verkeken.

Árpád Göncz loopt internationaal van alle presidenten in het nieuwe democratische Oosten wellicht het minst in het oog. Dat is vreemd, want Göncz heeft het afgelopen anderhalf jaar meer conflicten uitgevochten en ook meer bereikt dan de meeste collega's. De Oosteuropese presidenten kunnen - afgezien van Lech Walesa die in geen enkele categorie valt - worden verdeeld in twee groepen: aan de ene kant zijn er de voormalige partij-apparatsjiks die zich met niet al te veel overtuigingskracht een nieuw democratisch gezicht hebben aangemeten - Iliescu van Roemenië, Alia van Albanië -, aan de andere kant staan de denkers van de vroegere oppositie die als staatshoofd boven de partijen staan en die zich met wisselend succes hebben ontwikkeld tot de verwoorders van fatsoen en tolerantie in de nieuwe samenleving: Havel van Tsjechoslowakije, Zjelev van Bulgarije.

Árpád Göncz behoort tot de tweede groep: een denker, een schrijver, een oude opposant. Een jurist, die in de oorlog in het verzet tegen de fascistische dictatuur van de Pijlkruisers zat, na de oorlog secretaris-generaal van de Partij van Kleine Boeren werd, en hoofdredacteur van het blad Nemzedek (Generatie), die in 1948 werkloos raakte, zich in leven hield als metaalarbeider en studeerde tot hij in 1956, na de Hongaarse revolutie, van de universiteit werd gestuurd. Een jaar later werd hij opgepakt toen János Kádárs geheime politie hem identificeerde op een foto van de tank die bij de revolutie was gebruikt om het standbeeld van Stalin omver te trekken. Op de tank zat Árpád Göncz. Hij kreeg op grond van die foto de doodstraf, een straf die later werd omgezet in levenslang.

In 1963 kwam Göncz vrij. In de gevangenis had hij Engels geleerd en Engels werd zijn vak: hij vertaalde Engelse en Amerikaanse literatuur, honderdvijftig werken, alle Faulkners, alle Hemingways, en schreef zelf een reeks romans en toneelstukken die soms - vooral het eerste, over een groep ketters in het veertiende eeuwse Sopron en hun strijd tegen de officieel opgelegde ideologie, een thema dat hem nooit meer heeft losgelaten - pas na een jarenlange strijd tegen de censuur konden verschijnen.

In 1990 werd Árpád Göncz president op grond van een afspraak tussen de twee grootste Hongaarse partijen, het liberaal-intellectualistische Verbond van Vrije Democraten en het rechts-nationalistische Hongaars Democratisch Forum van premier József Antall.

Het is een afspraak waarvan Antall, Hongarijes slimste politicus maar tegelijkertijd een man die geneigd is zoveel mogelijk macht in eigen hand te concentreren, nog spijt heeft gekregen. Hij had zich de president voor alles als een ceremoniële figuur voorgesteld, een zondagavondstaatshoofd dat lintjes doorknipt en onschuldige toespraakjes houdt en alles tekent wat hem wordt voorgelegd. Dat viel tegen, want Göncz zag zijn rol anders, en sinds zijn aantreden is het herhaaldelijk tot forse conflicten gekomen tussen de autoritaire Antall en de president. Tijdens de beruchte taxiblokkade gaf Göncz als opperbevelhebber van de strijdkrachten het leger de opdracht zich niet in het conflict te mengen - zeer tegen de zin van Antall. Hij weigerde ook de compensatiewet te tekenen, de wet waarmee sommige voormalige eigenaren hun bezit terugkregen, en werd prompt door het Constitutioneel Hof in het gelijk gesteld. Hij raakte in conflict met de regering over de vraag welke bevoegdheden een opperbevelhebber van het leger kan hebben die zelf geen deel van dat leger uitmaakt. Toen Antall, boos over de kritische houding van de media, bij radio en televisie nieuwe onderdirecteuren wilde benoemen, weigerde Göncz die benoemingen te bekrachtigen. Ten tenslotte weigerde Göncz de wet te ondertekenen die voorziet in het doorlichten van het verleden van elke staatsambtenaar en die kan leiden tot het ontslag van diegenen die zich in het verleden al te zeer met het socialisme hebben ingelaten.

Het zijn conflicten die de Hongaarse samenleving danig in beroering hebben gebracht en die de president - in tegenstelling tot Antall - een enorme populariteit hebben bezorgd. Niemand is in Hongarije populairder dan Göncz, om zijn warmte, zijn eerlijkheid, om zijn ongecompliceerde en hartelijke optreden tijdens zijn vele "tours de province', maar ook om het tegenwicht dat hij biedt tegen een regering die de democratische spelregels nogal eens in haar eigen voordeel pleegt uit te leggen.

Het zijn conflicten, zegt hij, die niet te vermijden waren: “We hebben geen ervaring met het functioneren van de democratie. We hebben politieke instituten en we hebben de instituten van de democratie. Maar we hebben nog geen systeem van wetten die alles regelen. Zo'n systeem komt slechts geleidelijk tot stand, en naarmate dat gebeurt krijg je botsingen en spelen machtsrelaties tussen de acteurs op het politieke toneel een rol.” Een samenleving hervormen, zegt Göncz, is een uitputtend proces, een proces vol haast waarin wetten elkaar in hoog tempo opvolgen. “Tegelijkertijd zijn we in een overgangsfase, de samenleving is in beweging, steeds wisselende groepen krijgen het met elkaar aan de stok: mensen die het vroeger goed hadden staan op tegen mensen die het nu goed hebben, boeren tegen arbeiders, iedereen articuleert, alles verandert, en het is niet duidelijk wie in het parlement wie vertegenwoordigt.” In zo'n situatie, zegt Göncz, is het niet simpel de rol van de president te definiëren. De grondwet voorziet in zo'n definitie, maar de grondwet is vaag. “Ik mag sommige dingen. Ik mag het Constitutionele Hof wetten laten toetsen. Ik mag een wet één keer terugsturen naar het parlement. Ik mag mijn land vertegenwoordigen. Dat in zo'n situatie conflicten voorkomen, is heel natuurlijk. Zelfs in het beste huwelijk moeten de partners aan elkaar wennen. En dit is een gecompliceerd huwelijk, met drie partijen: het parlement, de regering en de president.”

Het probleem is dat een van de drie partners - de regering - een andere partner - de president - zijn legitimiteit binnen dat huwelijk betwist. Göncz lacht: “Okee. Maar laten we dan vaststellen welke van die drie partners buiten het huwelijk hoort. Ik ga ervan uit dat ik een legitieme partner binnen het huwelijk ben.”

De conflicten met de regering tasten zijn positieve opvattingen over wat er de afgelopen tweeëneenhalf jaar sinds de val van het socialisme is gebeurd, niet aan, zegt hij. De consensus die in 1989 en begin 1990 bestond tussen de diverse politieke groepen is inmiddels verloren gegaan. En je kunt vraagtekens plaatsen bij veel van wat er nu gebeurt. “Maar de algemene trend is gezond. We hebben de crisisfase heel goed kunnen beheersen. Ik ben er nog niet van overtuigd dat we de beslissende stappen op weg naar een andere samenleving hebben gezet - daarvoor zijn er teveel spanningen in de politiek - maar we gaan de goede kant uit. We zijn nog maar aan het begin van de weg. En als iemand daar een pluim voor verdient, zijn het de Hongaren zelf, om hun wijsheid, hun gematigdheid. De regering heeft zich van haar goede kant laten zien. En ik spreek niet tegen dat ik zelf mijn bijdrage heb geleverd. Eerlijke woorden dragen vaak bij tot een oplossing van spanningen.”

Niettemin zijn er enorme problemen. Er bestaat, zeggen sommigen, in het nieuwe democratische Hongarije meer angst dan vroeger, onder het socialisme. Drie miljoen Hongaren zijn onder de armoedegrens gezakt, vier miljoen Hongaren zijn bang eveneens onder die grens terecht te komen: zeventig procent van de bevolking wordt gedomineerd door angst. Werknemers zijn bang hun mond open te doen, want één verkeerd woord en ze staan op straat. Göncz: “Het is waar. De angst is gegroeid. We zien hoe eenderde van de samenleving achterop dreigt te raken. We staan voor een one third two thirds society. Er is maar één manier om die te voorkomen: door meer aandacht te geven aan sociale zorg en onderwijs. En dat is moeilijk door de monetaire beperkingen.”

Maar alternatieven ontbreken, zegt de president: “Dit is een smalle, hobbelige weg. Niemand heeft die vóór ons afgelegd. Niemand weet waar de valkuilen liggen. De Hongaren moeten nog steeds af zien te raken van de kleine Stalins en de kleine Brezjnevs in hun hoofd. Die spelen nog steeds mee. De mentaliteit van de partijstaat heeft plaatsgemaakt voor de mentaliteit van de concurrerende samenleving, maar in ieders hoofd vechten nog steeds elke dag weer die kleine Stalins tegen de mens van vandaag. Dat verander je niet in twee jaar.”

Kan het zijn dat de Hongaarse politici de afgelopen jaren veel tijd verloren hebben laten gaan met discussies over uiterlijkheden die nauwelijks terzake doen? Göncz: “Ikzelf zou meer prioriteit hebben gegeven aan de economische wetgeving. Maar dat kan ik eigenlijk niet hardop zeggen, dat gaat het parlement aan. Hoe dan ook, ik ben er diep van overtuigd dat we gedoemd zijn tot succes. Er schuilt een gigantische energie in deze samenleving. Ik ben er heel trots op een Hongaar te zijn. Het is moeilijk een wijzer, geduldiger en vindingrijker natie te vinden dan deze. We bewijzen dat we ook iets anders kunnen dan revoluties op touw zetten: we kunnen ook een steile berg beklimmen.”

Gedoemd tot succes? Niet elke econoom zal dat met de president eens zijn. Er kan nog heel veel misgaan. Göncz: “We hebben schokken doorgemaakt die we niet verwachtten. We hebben veldslagen overleefd die dreigden uit te lopen op een totale nederlaag. Denk aan het wegvallen van de Sovjet-markt. De prijs was hoog, maar we hebben die veldslag overleefd. Ik twijfel niet aan het eindresultaat. De afgelopen decennia heeft Scandinavië zich bij Europa gevoegd, heeft het Middellandse Zee-gebied zich bij Europa aangesloten. Het is onvermijdelijk dat Oost- en Midden-Europa dat ook doen. Zeker, de desintegratie van de Sovjet-Unie en de Duitse eenheid hebben het moeilijker gemaakt, we zullen het allemaal op eigen kracht moeten doen. En de markt heeft geen hart en geen ziel, maar kapitalisten hebben hersens, en vroeger of later zullen ze hun eigen belangen hier inzien.”

Er zijn, zegt Árpád Göncz, makkelijker tijden denkbaar om president te spelen. “Ik ben schrijver. En het ligt in de aard van een schrijver om zaken van de buitenkant te bekijken. Dat doe ik met mezelf, en dat is vaak een wat schizofrene situatie”, zegt hij. “Het beïnvloedt me. Ik ben president, maar ik ben geen lid van de politieke elite. Ik voel me een lid van de intellectuele elite, die tijdelijk president mag spelen. Ik was daarop voorbereid, want de politiek is mijn hele leven mijn metgezel geweest. Maar niet in de zin van macht uitoefenen. Ik ben nooit op macht uit geweest en die heb ik nog steeds niet. Als ik macht heb, komt die niet voort uit mijn functie maar uit de kracht van mijn woorden.” Hij lacht weer, en aarzelt, de kleine witharige man in het grote kantoor: “Misschien is dat wel een ideale situatie voor een schrijver, ja. Maar ik word er soms wel zenuwachtig van.”