Haenens zedenschets als spannend spel over waarheid of begrip

Voorstelling: Brutale winterbekentenissen, van Paul Haenen. Spelers: Ton Lutz, Ingeborg Elzevier, Ann Hasekamp, Tessa du Mée en Frank Houtappels. Decor: Albert Diederik. Regie: Pieter Kramer. Gezien: 25/1 in de Stadsschouwburg, Haarlem.

Verstijfd zitten de man en zijn twee vrouwen de zaal in te kijken, terwijl zich op de televisie achter hen een aflevering van Goede tijden, slechte tijden ontrolt. Hoewel zij zelf prat gaan op de harmonie van hun driehoeksverhouding, weten wij uit dit openingsbeeld al dat de spanning hier te snijden is. Ze hoeven alleen nog maar met elkaar af te spreken dat ze elkaar na de pauze, bij wijze van spelletje, de waarheid zullen vertellen om de lieve vrede geducht in het honderd te gooien. De vraag is dan hooguit nog hoe de ontreddering precies tot stand komt en hoe ver ze zal gaan.

Brutale winterbekentenissen, gesitueerd in een druilerige huiskamer met fineermuren en veloursmeubelen, vertelt van een man in een kamervest en een broek met ruiten, die samenwoont met zijn eerste vrouw, zijn tweede en de kinderen uit beide huwelijken. Hij maakt niet de indruk dat hij zelf veel over die situatie te zeggen heeft gehad; de tweede vrouw lijkt het huisgezin te domineren. “Hoe ga je om met de liefde die je wordt aangereikt?” vraagt hij zich, op tekst van Paul Haenen, af. En dat is nog slechts één van de ietwat geëxalteerde zinsneden, waarmee Haenen zijn personages tastend door het leven laat gaan. “Ik wil je zo ontzettend graag vinden, Bas,” zegt de moeder tegen de zoon - een tweede voorbeeld.

De vraag is natuurlijk wat beter is: het verstikkende begrip dat iedereen de levenslust ontneemt, of de barre waarheid die hen elke zekerheid ontneemt. Haenen zet ze in zijn zedenschets extreem tegenover elkaar, in fragmentarische scènes vóór de pauze en in een dwangmatig démasqué daarna. De drie hoofdfiguren zijn weinig meer dan exponenten; ze suggereren weinig diepgang onder hun woorden en hebben, geloof ik, buiten de voorstelling geen leven. Hun geloofwaardigheid moet vooral van de acteurs komen, de schrijver beperkt zich tot wat schetsmatige contouren en laat de invulling aan zijn spelers over.

Ze spelen, in de regie van Pieter Kramer, een spannend spel op het scherp van de snede. De speelstijl maakt, net als het stuk, snelle wendingen. Vaak lachwekkend in de ernst van hun conversatie, maar soms ook wrang en bij vlagen zelfs uitgesproken kluchtig. Ingeborg Elzevier is, met haar krulpermanent, haar parelketting en vooral haar zalvende intonatie, de bespottelijkste van het stel. “Waarheid is zo'n relatief begrip,” zucht ze - en ze haalt er een lach uit. Ann Hasekamp, op platte schoenen, is de archetypische moeder die hoofdzakelijk in stilte lijdt, maar uit kleine opmerkingen het maximale effect haalt. Ton Lutz blijft de vaagste van de drie; hij is op zijn best als hij zijn waardigheid tracht te bewaren, terwijl er een zweem van radeloosheid over zijn gezicht glijdt.

Haenen laat hen tenslotte achter met de vraag hoe ze nu verder moeten. “Verscheurde mensen in een verscheurde wereld,” zegt hij - en het klinkt uit de mond van Lutz niet eens pathetisch meer. Ja, knikken wij in de zaal, zo is het leven.