Gruwelijke weg naar vrouwenparadijs

ROTTERDAM, 27 JAN. “Ik hoop dat u uw ogen open kunt houden om ernaar te kijken... en ik hoop dat u ze vanavond kunt sluiten om te gaan slapen”. Met die woorden introduceerde de Britse cineast Mark Peploe, vast scenarist voor de films van Bertolucci, zijn eigen regiedebuut Afraid of the Dark. Zijn woorden bleken nauwgezet bij zijn film te passen. Het is een knappe psychologische thriller met shockeffecten waarvoor menigeen graag eventjes de ogen dichtknijpt, hoewel het dan al te laat is.

En verder vertelt Afraid of the dark over ogen. Over ogen die zien en over ogen die niet zien: over een stille jongen van een jaar of tien die bang is dat hij blind zal worden en wiens geest naar het psychotische neigt wanneer hij heeft ontdekt dat zijn ogen zullen worden geopereerd. Hij ondergaat de wereld - een zonnige, nette, schitterend onaangenaam gemaakte, buitenwijk van Londen - als steeds vijandiger en hij weet dat hij zich moet verdedigen. En zo raakt hij gevangen in, gewiekst door Peploe geschreven en in beeld opgeroepen, angst- en agressie-visioenen. Dat die waan een telkens griezeliger licht werpt op de doodgewone werkelijkheid, vervolmaakt deze geslaagde thriller van hoog niveau.

Veel plezier beleefde het, naar het lijkt massaler dan ooit toestromende, Rotterdamse festivalpubliek aan Night on Earth, waarin Jim Jarmusch weer zijn excellente gevoel voor timing en neus voor zwartgallige, droge humor uitbuitte. Jarmusch koos, net als in Mystery Train (1989), opnieuw voor een stel verhalen in één film. Op vijf plaatsen ter wereld, van nachtelijk Los Angeles tot Helsinki in de donkere ochtend, maken we mee wat een taxi-chauffeur ter plaatse ervaart met zijn klandizie. De acteurs zijn steeds typerend voor de stad: Gena Rowlands neemt de taxi in Los Angeles, Roberto Benignini chauffeert in Rome, Béatrice Dalle stapt in in Parijs. Jarmusch bewijst met deze film opnieuw dat hij als geen ander in staat is tot het schilderen van het stadslandschap en tot het karakteriseren van de haveloze mensensoort die dat landschap 's nachts bevolkt.

Het meest onder de indruk was ik gisteren van Rebro Adama (Rib van Adam), het speelfilmdebuut van de Oekraïnse filmmaker Vjatsjeslav Kristofovitsj. Vier volwassen vrouwen (rollen van onwerkelijk mooi spelende actrices) bewoneneen klein appartement in een gesjochten grote stad. Het leven is hard voor elk van hen, voor de oude verlamde moeder, voor haar net volwassen kleindochters, voor haar vijftigjarige, tweemaal gescheiden dochter. Melancholiek is deze film wel, maar somber niet, want Krisjtofovitjs heeft weet van filmische subtiliteit en zijn vrouwen zijn sterk en spiritueel, ook al verliezen ze soms de moed. “Weet je wat communisme is, mama? Dat iedereen connecties heeft bij de slager”, zegt de jongste dochter, die overigens briljant kan kankeren en steeds zegt waar het om gaat. Hoogtepunt is een feestmaal, waarvoor de mannen op visite komen: twee vaders, een partijbons en een jood, en een nieuwe minnaar - een schuchter ventje dat heus wel kan slaan als het moet. Er wordt gedronken en gescholden en dat Kristofovitsj in feite de geledingen van de hedendaagse, vervallende Sovjet-Unie neerzet, blijkt wanneer de verlamde, door iedereen stelselmatig verwaarloosde, moeder ineens van haar bed komt. Het pesterige mens wankelt maar staat: Moedertje Rusland is niet kapot te krijgen.

Een even veelzeggend, maar gruwelijker portret van het vrouwenleven wordt gegeven in Five Girls and a Rope van Ye Hung-wei uit Taiwan. De film begint met een door zijn schoonheid des te ellendiger beeld van vijf jonge Chinese plattelandsmeisjes aan het begin van deze eeuw. Ze pleegden samen zelfmoord. Zachtjes bungelen ze naast elkaar, hun nieuwe rode kleedjes brengen gloed in het verder dorre land. De rest van de film maakt knap maar pijnlijk aannemelijk dat ze liever dood waren: vrouwenhaat en volslagen eenzaamheid is het lot van iedere volwassen vrouw. Wie als maagd sterft gaat, wil het geloof, naar "De tuin', een soort vrouwenparadijs. Hun daad berust niet op een navrant verzinsel, het kwam naar het schijnt onwerkelijk vaak voor. Hetzelfde boek, van een Chinese auteur, is ook in China zelf verfilmd en het Rotterdamse Filmfestival programmeerde het resultaat eveneens: Chu jia nü. Die film zag ik nog niet, maar ik hoop dat hij net zo krachtig laat zien hoe ingebakken misogynie walgelijke verspilling van waardevol leven veroorzaakt.

Een derde, vrolijker en irreëler beeld van vrouwenlevens, geeft Martha Coolidge met haar Rambling Rose. Een Mevrouw en haar dienstmeid, in de jaren veertig in het Zuiden van de Verenigde Staten. Allebei even onaangepast, de ene door een teveel aan gedachten, de ander door een teveel aan seksuele uitstraling. Ze komen voor elkaar op en redden elkaar. Rambling Rose is een romantische fantasie, een onwezenlijke idylle, maar wel een mooie droom.

En dan Olivier Assayas, de Franse cineast die poseert als eigenzinnig wonderkind. Zijn Paris s'eveille maakte op mij vooral een indruk van aanstellerij: zogenaamd gewone mensen (gespeeld door ijdele acteurs) die met alle macht bijzonder doen, hun levens verbeeld door een zelfingenomen filmmakertje. Geef mij maar Hal Hartley's films, zoals Trust: doodgewone mensen die door Hartley zonder overdreven moeite worden ontdekt als uitermate bijzondere personages.