Extremen zijn helaas vermeden in goed gezongen voorstelling van Opera Zuid; La Traviata lijdt aan evenwichtigheid

Voorstelling: La Traviata van G. Verdi door Opera Zuid en Limburgs Symphonie Orkest o.l.v. Martin André. Met o.a.: Nicola Ferner-Waite, Christian Papis, John Rawnsley, Annett Andriesen, Bernadette ter Heyne en Tom Haenen. Decor en kostuums: Carl Friedrich Oberle; regie: Göran Järvefelt; instudering: Peter Watson. Gezien: 25/1 Stadsschouwburg Sittard. Herhalingen: 28/1 Venlo; 20/1 Eindhoven; 1/2 Kerkrade; 4/2 Roermond; 6/2 Hengelo; 8/2 Hasselt; 11/2 Heerlen; 13/2 Den Bosch; 15/2 Maastricht. Radio-uitz.: 15/2 20.00 uur Omroep Limburg; 16/2 20.00 uur Omroep Brabant.

La Traviata, de derde produktie van het nu een jaar functionerende Opera Zuid, werd oorspronkelijk gemaakt voor de Welsh National Opera door de in 1989 overleden Zweedse regisseur Göran Järvefelt. Het concept van Järvefelt en zijn decorbouwer Carl Friedrich Oberle is strak en streng: de hele opera wordt uitgevoerd tussen drie zwart glimmende wanden, die over de volle hoogte bestaan uit deuren. Ook al blinken die panelen soms feestelijk door de weerkaatsing van het licht, het immer aanwezige zwart verbeeldt de doem van de tering waaraan de lichtzinnige Violetta tegronde zal gaan.

In de eerste acte, waarin de moreel verdorven levensopvatting van de maintenée Violetta - La dame aux camélias - wordt getoond, zijn meubilair en kostumering van de personages ook geheel zwart. Het eerste deel van de tweede acte, als de ware liefde tussen Violetta en Alfredo is opgebloeid, is alles stralend wit. De scène daarna, tijdens het Spaanse feest, is geheel rood. En in de slotscène is het meubilair zwart, wit èn rood: haar hele verleden omringt symbolisch de stervende Violetta. Op de grond tussen de witte en rode camelia's liggen herfstbladeren, die ook voorkwamen in de Parsifal, die Järvefelt en Oberle in 1981 maakten voor de Nederlandse Opera.

De stilering van decors en kostuums is ontleend aan de art déco van tussen de wereldoorlogen, maar doet eigenlijk nauwelijks terzake. Eén detail in de kostumering is nog van belang: de twee mannen die Violetta's leven op beslissende wijze beïnvloeden zijn afwijkend gemarkeerd. De minnaar Alfredo Germont heeft een blauwe shawl. Zijn vader, die met goede maar kortzichtige bedoelingen een wreed eind maakt aan hun verhouding, draagt een traditioneel grijs pak.

De symboliek van Järvefelt is zó eenvoudig, doorzichtig en eenduidig dat de kwaliteit van de uitvoering de voorstelling moet maken. Het probleem met de instudering door Peter Watson is dat die te vaak een wat goedmoedige uitstraling heeft in de typering van personages en situaties. De scène waarin Alfredo en de baron hun rivaliteit in de liefde uitspelen tijdens een kaartspel terwijl de verscheurde Violetta toekijkt, mist essentiële spanning. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat het origineel scherper, extremer, dramatischer en indringender moet zijn geweest.

Twee andere scènes van belang missen hun theatrale werking echter niet: de confrontatie van Violetta met de oude Germont en de sterfscène, die zoals het hoort, wel degelijk een traantje doet opwellen. Hier was tijdens de Sittardse première de Australische Nicola Ferner-Waite in haar Europese debuut op haar best in de zware titelrol. De sopraan, die vorige week ziek was geweest, liet in È strano tijdens de eerste acte de coloraturen nog aan elkaar plakken, maar bereikte verderop een zeer bewonderenswaardig niveau.

Christian Papis (Alfredo) en John Rawnsley (de oude Germont) droegen op een wat lager plan het hunne bij aan de degelijkheid van de cast. Dat deze heren iets minder nadrukkelijk zingen dan collegae met wereldfaam en niet met èlke noot applaus willen halen is soms wel prettig. Maar toch had een fractie meer motivatie niet misstaan en hetzelfde geldt voor de begeleiding door het heel betrouwbaar spelende Limburgs Symphonie Orkest. Wellicht lag het dus vooral aan dirigent Martin André dat de voorstelling meer streefde naar goedbedoelde evenwichtigheid dan naar het uitmeten van mateloze tragiek.