Een nieuwe werkelijkheid

DE TEGENSTANDERS van de G-7, de groep van sterke industrielanden, kunnen ogenschijnlijk verlicht adem halen.

De bijeenkomst van de G-7 dit weekeinde in New York heeft niets nieuws opgeleverd. Geen richtlijnen, blauwdrukken of geheime afspraken die straks het economische leven ook van die landen die in dit hoge gezelschap geen inspraak hebben, zouden hebben gereguleerd. De vergadering was een bevestiging van de nieuwe werkelijkheid: de wereld raakt opgedeeld in een paar min of meer levenskrachtige handelsblokken, een financieel-economisch groot zwart gat dat de republieken van de voormalige Sovjet-Unie omvat en een overgangsgebied in Oost-Europa waarvan het onzeker is in welke richting het zal worden getrokken.

Of de kleinere en kleine niet in New York aanwezige industrielanden van dit gezamenlijke onvermogen van de G-7 om de wereld als geheel leiding te geven zullen kunnen profiteren, is nog maar de vraag. De meeste van hen, inbegrepen enkele leden van de G-7 zelf, blijven immers in verregaande mate afhankelijk van een paar hoofdrolspelers, ook al tonen die steeds minder harmonie. Het verschil met een betrekkelijk recent verleden is vooral gelegen in het ontbreken van een prima donna die het gehele toneel beheerst, een magneet die het vijlsel in een bepaald patroon trekt. Niet dat aan de onderlinge verwevenheid van de verschillende regionale economieën, aan de interdependentie in de wereld plotseling een einde zou zijn gekomen. Maar de bestuurlijke uitdrukking van deze in het tijdperk van de technologische communicatie natuurlijkerwijs afgedwongen afhankelijkheid is aanzienlijk vervaagd sinds het Amerikaanse leiderschap zichzelf heeft opgeheven.

DE HOOFDOORZAAK van de tegenwoordige toestand, die de eerste kenmerken van een impasse heeft, ligt in een nieuwe spreiding van macht en behoefte waarmee men nog niet vertrouwd is geraakt. Enkele landen, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk, staan aan het begin van een verkiezingsjaar dan wel van een periode van politiek-ideologische herbezinning. De politieke leiders daar hebben een begrijpelijk verlangen naar financiële armslag, naar bestedingsruimte van waaruit het electoraat met aantrekkelijke en geloofwaardige offertes gunstig kan worden gestemd dan wel de algemene ideologische leegte aan het oog kan worden onttrokken. Toevallig is juist dit drietal als gevolg van een in het verleden en op grond van zeer uiteenlopende politieke motieven te lang volgehouden monetaire nonchalance niet bij machte op eigen kracht in de eigen behoefte te voorzien. Vandaar de gedurende het afgelopen weekeinde culminerende pressie op partners als Duitsland en Japan om maar weer eens als locomotief van de wereldeconomie te fungeren.

Het was het proberen waard, maar de teleurstellende uitslag was voorspelbaar. President Bush heeft tijdens zijn jongste bezoek aan Japan zijn beginnende wanhoop niet voldoende kunnen verbergen om het toch al in Japanse ogen gebutste Amerikaanse leiderschap te kunnen herstellen. Integendeel. De toezeggingen uit Tokio gaan dan ook geen streep verder dan puur in het Japanse belang al eerder noodzakelijk werd geacht. En hoewel de Duitsers hun kritiek op Amerika heel wat behoedzamer formuleren dan de economische krachtpatsers van het Verre Oosten, namens de kanselier werd de afgelopen dagen toch onderstreept dat in de volgorde van Duitse prioriteiten de herkiezing van bevriende ambtgenoten ver achter de handhaving van het Duitse monetaire evenwicht was geplaatst.

De Duitse locomotief, zo krijgen de partners nu al maanden lang te horen, heeft al zijn trekkracht nodig om de voormalige DDR en een enkele voor de Bondsrepubliek aantrekkelijke bedrijfssector in het overige Midden- en Oost-Europa op de rails te houden. En daarnaast is er nog de niet geringe Duitse aflaat aan Moskou ten behoeve van de herhuisvestiging in eigen land van de voormalige Sovjet-bezettingsmacht.

DE POLITIEKE leiders leggen zich er nu klaarblijkelijk en noodgedwongen bij neer dat de monetaire verhoudingen uitdrukking zijn van de reële economie en niet omgekeerd. Rentevoet en valuta zijn tot op zekere hoogte manipuleerbaar, maar zodra zij de rol van wondermedicijn krijgen toebedeeld om chronisch verwaarloosde kwalen in de wereldeconomie te bestrijden, treedt de beperktheid van dit soort instrumenten in het licht. Politiek opportunisme wil nog wel eens de boventoon voeren. Maar in New York overheerste uiteindelijk de zin voor de nieuwe werkelijkheid.