De "Fossa Carolina', een verwaterde wensdroom

Nu het Rijn-Main-Donaukanaal in Zuid-Duitsland zijn voltooiing nadert, wordt een oude Europese wensdroom vervuld.

Karel de Grote was de eerste vorst die droomde van een kanaal tussen Rijn en Donau en daarmee een waterverbinding tussen de Noordzee en de Zwarte Zee en die er ook iets aan deed. Er moest een kanaal komen tussen de zijriviertjes Rezat (Main-Rijn) en de Altmühl (Donau), waardoor de verbinding tussen de twee zeeën tot stand zou komen. In de tijd dat hij serieus over dit plan nadacht, was de koning der Franken druk in de weer de Saksen en de Avaren te onderwerpen.

Een dergelijke waterweg dwars door Europa zou hem uitstekend van pas komen bij de troepentransporten en de bevoorrading tijdens zijn veldtochten. Het idee was geboren, in 793 volgde - een poging tot - uitvoering.

Karel kon de waterverbinding niet alleen heel goed gebruiken voor strategische en handelsdoeleinden, maar hij was ook zeer gebaat met een goede bereikbaarheid van zijn residentie in Aken.

Een "waterbouwkundige' ontwierp een plan. Niet erg geraffineerd, want met de ondergang van de Antieken was ook hun vergevorderde kennis van de techniek verdwenen. Wel wisten de Franken precies waar zij moesten graven en zo werd consciëntieus de plek uitgezocht waar de stroomgebieden van de te verbinden rivieren Altmühl en Rezat elkaar tot op 1500 à 1800 meter naderden: het hoogste punt van de waterscheiding (de brongebieden van de rivieren lagen slechts 10 meter boven de Altmühl).

Karel de Grote liet in het tegenwoordige Weissenburg een slot inrichten, de weisse Burch, ten noordoosten waarvan de Limes liep (de oude Romeinse grensmuur), om vandaar uit een oog in het zeil te kunnen houden.

De plek waar gegraven moest worden was nu getraceerd. Karel liet de mannelijke bewoners uit de omliggende dorpen bij elkaar drijven en de eikenbosjes, die voor deze stammen heilig waren, omkappen. Zo voorzag hij zich op eenvoudige wijze van de benodigde arbeidskrachten. Volgens latere berekeningen heeft de koning ongeveer 6000 Franken aan het werk gezet voor zijn kanaal.

De grondwerkers werden ondergebracht in grote maar primitieve hutten, waar zij gedurende het hele karwei - dat niet langer geduurd moet hebben dan zeven à acht weken - verbleven.

Volgens de overlevering hebben de tewerkgestelde Franken het kanaal dat zij moesten graven, vervloekt. Zij vonden het een heilloze onderneming, een tartende ingreep in de natuur waar geen zegen op kon rusten.

De herfst van het jaar 793 werd gekenmerkt door langdurige en zware regenval. Dag na dag ploeterden de schanswerkers met schop en houweel in de modder. In manden werd de uitgegraven aarde getransporteerd naar de oevers-in-wording die werden opgehoogd tot zeseneenhalve meter.

Om het hoogteverschil tussen de twee rivieroorsprongen te overbruggen moest er tien tot twaalf meter diep gegraven worden en het kanaal diende een lengte te krijgen van 1800 meter. Ondanks tegenslag en natuurlijke hindernissen werden enorme prestaties geleverd. In nog geen twee maanden tijds werd 780.000 kubieke meter aarde verzet (80.000 vrachtwagens of de 22.000 spoorwagons)

Maar door de voortdurende regen en het grondwater stortte veel weer in, vooral 's nachts. Als de Franken vermoeid in hun hutten lagen en hoorden hoe onder de gutsende regen en onophoudelijke donderslagen de aardmassa's met woest geraas naar beneden stortten, werd het hun bang te moede. De Goden waren vertoornd en verwoestten uit wraak het vermetele werk dat schennende mensenhanden tot stand probeerden te brengen.

In een van die verschrikkelijke nachten verscheen plotseling de koning en dat maakte de Franken er niet geruster op. Karel de Grote moet tijdens zijn bezoek gezien hebben, dat het graven en openhouden van een kanaal een schier onmogelijke opgave was.

Uiteindelijk werd toch nog 1500 meter kanaal gegraven, bij een breedte van ongeveer 30 meter en tot tien meter diep, dus ruimschoots bevaarbaar. Het kanaal werd echter nooit voltooid. De weersomstandigheden, maar vooral de geologische situatie hebben Karel de Grote doen capituleren, hoewel de Frankische grondwerkers nog slechts een paar honderd meter van het doel waren verwijderd.

Hedentendage is er van het kanaal nog een klein, maar duidelijk gedeelte over. De "Fossa Carolina', nu bijna 1200 jaar oud, een stukje kanaal van ongeveer 100 meter lang, bij het plaatselijk belangrijke spoorwegknooppunt Treuchtlingen. Verstild ligt het daar, de wallen gedeeltelijk nog intact en met eiken begroeid. Aan het eind is het kanaaloverblijfsel tot een ondiepe greppel versmald, waarin het water traag wegsijpelt. Vergane glorie, die nooit echt heeft geschenen.

Voor het kanaal staat een bankje waarop af en toe een paar bezoekers zitten te mijmeren. De stilte wordt slechts onderbroken door vogelgefluit en een in de verte voorbijdenderende trein. Een witgekalkt transformatorhuisje draagt als opschrift “De laatste zichtbare rest van een der grootste ingenieurswerken van het oude Avondland.”

Na het mislukte avontuur van Karel de Grote hebben nog verschillende staatslieden, vorsten en prakkizeerders zich met een Main-Donaukanaal beziggehouden.

In de 17de eeuw leek het er even op, dat er weer een kanaalplan van de grond zou komen, toen de verslagen Habsburgers (na de 30-jarige oorlog) in de Verenigde Nederlanden voet aan de grond wilden krijgen. Hollandse ingenieurs waren al geëngageerd, maar politieke verwikkelingen deden het plan schipbreuk lijden.

Ook Napoleon, Goethe en Ludwig I van Beieren waren gefascineerd door een kanaalverbinding. Onder de laatste kwam inderdaad in 1845 het Ludwigskanaal tot stand, dat van Kelheim tot Bamberg aan de Main loopt. Maar slechts schepen tot 120 ton konden het bevaren en het kanaal werd als transportverbinding achterhaald door de zich snel ontwikkelende spoorwegen.

En nu wordt de laatste hand gelegd aan het Rijn-Main-Donau-kanaal, om een volwaardige verbinding te zijn tussen de Noordzee en de Zwarte Zee. Van meer belang dan de ontwerpers van deze eeuw - de eerste plannen dateren van 1921 - in verband met de ontluikende Oost-Westhandel konden voorzien. Dezelfde verbinding, die Karel de Grote in zeven weken bijna voor elkaar had. Op zijn manier dan.

Foto: De Fossa Carolina, voorloper van het Rijn-Main-Donaukanaal