Basaal christendom voor Europeanen

“O, dus Jezus en Christus zijn één en dezelfde persoon? Ik heb altijd gedacht dat het twee figuren waren.” Deze openbaring deed onlangs een student aan de universiteit die in haar officiële naam de verbondenheid met Rome bekent. Met enige bevreesdheid onthul ik deze schokkende onwetendheid: allicht word ik wegens anti-propaganda geciteerd door de inquisitierechtbank in moderne vorm, het universitaire bureau pers en voorlichting. Sommigen menen dat de identiteit een belangrijk "selling point' van de Noviomagensische academie is. Opeenvolgende commissies blijven op zoek naar de eigenheid. Net zoals de padvinderij blijft speuren zonder ooit te vinden, lijkt voor confessionele instellingen de altijddurende bezinning de belangrijkste reden van bestaan.

Deden ze maar minder aan navelstaren en wat meer aan het bijbrengen van kennis over het christendom. Het merendeel van de studenten die we in de universitaire arena's ontmoeten, heeft maar liefst 14 jaar katholiek onderwijs achter de rug. De ouderlijke voorkeur voor de roomse signatuur had indertijd weinig te maken met de eigen levensovertuiging, maar alles met de comfortabele nabijheid van een school van de bewuste zuil, die stevig is ingegraven in het Brabantse, Gelderse en Twentse land. Ten hoogste eisen de ouders van de scholen dat ze datgene doen waartoe ze zelf niet meer in staat zijn: geloof over te dragen. Scholen moeten soms roomser (of protestantser) zijn dan de ouder.

Dat de ziel niet meer gepakt wordt, is niet zo vreemd in dit post-christelijke Nederland, maar dat men basisbegrippen van het christendom eenvoudig niet kent, is verbijsterend. Andere studenten hadden altijd gedacht dat Christus de achternaam van de man uit Nazareth was. Begrippen als het laatste oordeel, zondeval, martelaren, aflaten en verlossing wekken oprechte nieuwsgierigheid op bij deze generatie studerenden. Bij hen heerst namelijk geen onwil tot weten, bijvoorbeeld door een traumatische christelijke jeugd (die zoveel Nederlandse literatuur heeft gegenereerd). Het is simpele ignorantie, waarvoor ze zich - dat nog wel - schamen. Hun talrijke reizen brengt hen in de kerken en musea van Europa: de beeldcodes die ze daar tegenkomen, zijn geheimschrift dat ze willen kunnen ontcijferen.

In dit opzicht zijn we misschien nog net beter af dan de Angelsaksische wereld. Onlangs beklaagde een Russische journalist, die in Engeland werkt, zich in een BBC-causerie over het gebrek aan cultuurkennis bij studenten en academici. Toen hij aan de uitgang van een universitair gebouw vroeg slechts één Russische schrijver of componist te noemen, ving hij bot. Van Stalin had een ondervraagde het vage idee dat hij de "hervorming' van Rusland had ingeluid. Ook toen de interviewer maar afstapte van kennis over Rusland, boekte hij weinig succes. Zelfs specialisten wisten nauwelijks grote voorgangers op hun eigen vakgebied te noemen.

Wat de enquêteur vooral verbaasde, was niet dat ze niet wisten, maar dat "they simply did not care'. Met grote blijmoedigheid gaven de ondervraagden hun onwetendheid toe. Zover zijn we in mijn academisch milieu, gelukkig niet. Het kan de studenten wel degelijk wat schelen. Het uitleggen van fundamentele begrippen levert menige dankbare "Aha-Erlebnis' op. Gretig nemen propaedeuten deel aan de cursus "Hoofdlijnen van de westerse beschavingsgeschiedenis'. De docent neemt maar op de koop toe dat hij zich soms voelt als de rondleidster in het museum voor atheïsme in Leningrad die hij het boeddhisme zag uitleggen aan een aandachtige schoolklas met behulp van een kleurrijk schema. Ook de felgekleurde orthodoxe paaseieren in de vitrine wekten oprechte belangstelling.

De fascinatie met religie heeft op iedere Ruslandganger van de afgelopen jaren indruk gemaakt. Langs de Petersburgse Nevski Prospekt en de Moskouse Arbat wordt gepreekt. Een Moskouse vriend - communist tot augustus 1991 - liet zich door de pope kapittelen omdat hij niet wist hoe hij voor mijn (!) overleden vader moest laten bidden in de zaterdagmis te Zagorsk. Maar, hield hij vol, op het Instituut voor Russische Geschiedenis waar hij werkte, was hij praktisch de enige van de tweehonderd geleerden die zich niet bekeerd had. Hij werd met een zekere meewarigheid behandeld als iemand die het licht nog wel zou zien. Sympathiek in haar pragmatisme was mij de Petersburgse classica: ja, zij had haar kind een paar jaar geleden laten dopen, maar trouwen voor de kerk deed ze toch maar niet, want dan moest je beloven altijd bij je man te blijven. Dat was een iets te ver gaande verplichting.

Sommigen verwachten dat het licht weer eens uit het oosten gaat komen en dat de herkerstening van West-Europa in het verschiet ligt. Ik voor mij hoop niet meer door de knieën te gaan. Mij gaat het om blote kennis van de eigen cultuur. Bij ons hebben leerlingen meer kans iets te weten van de Islam dan van het christendom. Alle geschiedenis- en aardrijkskundemethodes hebben tegenwoordig wel een hoofdstuk over Mohammed in de wereld van toen en nu. Dit alles gebeurt in het kader van het Inter-Cultureel Onderwijs, het ICO zoals de goeroes van deze groeisector zeggen. Is het niet ook tijd voor ACO: auto-cultureel onderwijs?