Zeepbel van de islamitische zuil

Premier Lubbers ziet zelforganisatie van de islamitische minderheid in Nederland als een mogelijke oplossing voor de integratieproblemen van minderheden. Hoewel dit herinneringen oproept aan het verzuilingstijdperk, pleit hij allerminst voor een islamitische zuil.

De politicoloog Lijphart ziet in Lubbers' idee echter wel aanleiding terug te grijpen op het model van de verzuiling: “De verzuiling is opnieuw bruikbaar. Het model kan opnieuw helpen bij de integratie van minderheden.” (NRC Handelsblad, 10 december).

In dezelfde geest schreef Zijderveld: “Zeker voor de katholieken was de verzuiling destijds het middel bij uitstek om te emanciperen en met behoud van eigen identiteit in de samenleving te integreren”. Hij vervolgde: “Gezien dit succesvolle emancipatie- en integratieproces ligt het voor de hand ook de islamieten in ons land op te roepen via verzuiling te emanciperen en daardoor te integreren.” (NRC Handelsblad van 23 december).

Het mogelijke ontstaan van een islamitische zuil heeft de gemoederen danig in beroering gebracht. Vooral over de vermeende groei van het aantal islamitische scholen ontstond opschudding. In een lezing voor een katholieke organisatie noemde Lubbers deze angst voor een islamzuil echter onzinnig.

Niet alleen is de angst voor een islamitische zuil onzinnig, tevens verdient het denken in termen van een zuil het predikaat onzin. De door Lijphart en Zijderveld gepropageerde islamitische zuil is een zeepbel, die met verschillende argumenten kan worden doorgeprikt.

Enkele hinderpalen bij de vorming van een islamitische zuil werden reeds door anderen genoemd. De heterogeniteit van de moslim-gemeenschap in Nederland geldt als eerste groot obstakel. Shadid illustreerde dit punt met een bloemlezing uit de veelheid aan hoofdstromen, rechtsscholen, aftakkingen en mystieke genootschappen (NRC Handelsblad van 6 januari). Ten tweede bestaat de moslim-gemeenschap uit verschillende etnische groeperingen. Voorts zou een islamitische zuil een concentratie van sociaal-economische problemen betekenen. In het jargon van de sociale vernieuwing zou van een probleemcumulatie-gebied sprake zijn. Tot slot ontbreekt het de moslim-gemeenschap aan een leidend kader.

Los van deze praktische belemmeringen voor het totstandkomen van een islamitische zuil, gaat de daaraan ten grondslag liggende vergelijking met het verzuilingsmodel mank.

Om te beginnen omvat een zuil meer dan alleen een aantal op islamitische leest geschoeide bijzondere scholen. Net zo min als één zwaluw zomer maakt, maakt een handjevol islamitische scholen een islamitische zuil. Toch concentreert de discussie zich rondom het thema onderwijs, hetgeen het zicht wegneemt op de geringe mate waarin van verzuiling kan worden gesproken.

In het verzuilingsmodel wordt de verdeling van de bevolking in diverse levensbeschouwelijke zuilen gecompenseerd door een intensieve samenwerking van de toppen van de zuilen. Het bestaande gebrek aan een kader betekent evenwel dat er geen elite is die namens de moslim-gemeenschap participeert in de verschillende netwerken van het nationale besluitvormingscircuit. Daarmee is een beslissende voorwaarde om van een eventuele verzuiling te profiteren niet vervuld.

Een bijkomende handicap is de zwakke onderhandelingspositie van een eventuele islam-zuil. Die zwakke positie is deels het gevolg van haar sociaal-economische achterstandspositie, maar komt bovenal voort uit het feit dat ze geen politieke machtsfactor vormt. Een groot deel van de islamieten in Nederland heeft immers geen stemrecht bij nationale verkiezingen. Kortom, het ontbreekt aan electorale macht, dus bestaat er voor andere politieke groeperingen geen aanleiding tot een politieke ruil.

Deze combinatie, het ontbreken van een kader dat in nationale elite-netwerken participeert en de electoraal marginale positie van haar achterban, maakt het denken in termen van een islam-zuil tot een zeepbel.

De zinloze discussie over een islamitische zuil heeft de aandacht afgeleid van de eigenlijke inzet van het minderhedendebat: Lubbers' suggestie van zelforganisatie als middel tot emancipatie en integratie van minderheden in de Nederlandse samenleving.