Waarin ik besluit dat Enzensberger mij niet mag ...

Waarin ik besluit dat Enzensberger mij niet mag ontsnappen Laat ons nu bepalen wat journalistiek is, zei ik om de avond af te ronden. Journalistiek, vervolgde ik op dicteersnelheid, is de confrontatie van het tijdelijke met het blijvende. Of beter: de ontmoeting van de jachtigheid, de losheid, de compactheid, het effectbejag, zo u wilt, met het onvergankelijke, het bestaande, het eeuwige, zo u wilt.

Het is, behalve werk, stipuleerde ik na een korte pauze, een kwestie van een diep filosofisch belangenconflict. Om met Wittgenstein te spreken: waarover niet gesproken kan worden, daarover moet de journalist zich ontfermen. En om met Baudrillard te spreken: de tekst is belangrijker dan de werkelijkheid.

En dat geldt, zei ik terwijl ik met mijn vinger in de lucht priemde, al helemaal voor recenseren. Ik gaf ze even tijd om hun ballpoints in stelling te brengen. Een recensent, vervolgde ik, is een speelbal van zijn tijd. Hij veinst onpartijdigheid, maar, terwijl hij de lezer klein houdt met de autoriteit van het gedrukte woord, projecteert hij zijn eigen ambities op papier.

Een recensent schrijft, betoogde ik met vuur in mijn stem, alsof hij onfeilbaar is en het fysiek bewijs is van onaantastbare intellectuele smaak, een redelijke maar alwetende autoriteit, die met zijn oordeel de vluchtigheid van de dagelijkse actualiteit ontstijgt.

Hier hield ik even in. Om dan te komen met de pointe: ""En in mijn geval is dat ook zo!''

Ik had de lachers op mijn hand. Zoals elke keer. Tevreden leunde ik achterover. Dit had ik geoefend, en het kwam er zonder haperen uit. Het was jammer dat ik deze snedige opmerkingen tegen de leerlingen van de School voor Journalistiek kwijt moest, want in een serieus boekenprogramma op de televisie hadden ze zeker niet misstaan.

Driehonderd gulden kreeg ik voor deze Postdoctorale Avondcursus Recenserend Schrijven. Als redacteur van Boek in Beeld was ik voor de zestien studenten ook iemand. En ik kon ze ook nog mijn bundel met kritieken aanbevelen alsof het verplichte leesstof betrof. Twee uur precies kostte het, als ik snel naar huis reed, kon ik nog Studio Sport halen.

Het was weer goed geweest. Het was trouwens elk jaar weer goed: nergens hingen ze zo aan je lippen als deze jongelui met verwachtingen over de toekomst. Morgen was de vergadering op de krant. In de auto neuriede ik zachtjes voor me uit en voorvoelde dat het ging lukken, mijn plan. Dit keer zou ik, en niemand anders, als eerste de nieuwe essaybundel van Hans Magnus Enzensberger over de toekomst van Europa claimen. De vorige week was een nieuwe essaybundel over Max Weber door mijn vingers geglipt, maar dat was niet te vermijden. Want als het over Weber ging, had Cyrielle Hovenkamp de oudste rechten. In 1977 had hij immers op Weber zullen promoveren, zeiden ze. En een maand geleden was de nieuwe Julia Kristeva ook al niet doorgegaan, maar daar begreep toch niemand wat van, dus so what. Stukken over moderne Franse denkers waren überhaupt oefeningen in beschaafde nietszeggendheid. Daarom werden ze ook altijd de opening van Boek in Beeld, steevast, want onbegrijpelijke stukken stralen cultuur uit, wist de redactie al sinds jaar en dag.

Maar Enzensberger was voor mij. De eerste zin zong al dagen door mijn hoofd. ""Niemand schrijft zo licht als Hans Magnus Enzensberger,'' zou ik schrijven, ""zo licht dat de lezer eindelijk het Europese huis tot in de donkerste kamertjes kan aanschouwen.''

Mooi gezegd, maar wat betekende het, dacht ik plotseling uitgeblust. Het was zo moeilijk om een oordeel over een boek te hebben, laat staan een boek waarover de New York Review of Books nog niets geschreven had. Overal zoemden de gebundelde eendagsvliegen, maar waar hield het tijdloze meesterwerk zich schuil? Jezus, ik zou toch niet weer hoeven terug te vallen op de bekende cocktail van de radeloze recensent, met weer al die culturele keywords, dat intellectuele idioom, gemixt tot een vederlichte, virtuoze verbositeit die de lezer abusievelijk zou opvatten als eruditie? Onherroepelijk tuimelden de vluchtheuvels van de dolende scribent door mijn hoofd: ""kafkaeske catastrofe'', ""intellectuele identiteit'', ""toekomst van de Europese geest'', ""de opties van Amerika,'', ""Al sinds Bismarck weten we dat...'', ""Bij Huizinga lezen we dat...'', ""de Werdegang van het Westerse denken...'', ""de fictie van de visionaire federalisten...'', ""een boeiende en evenwichtige uiteenzetting die de lijnen uit het verleden naadloos doortrekt naar de huidige situatie...'', ""de metafysica van de burgerlijke ethiek...'', ""beschaving is niet meer dan vernis..."", ""de socratische houding à la Van Mierlo'', ""l'enfer c'est les autres''.

In noodgevallen was er nog altijd ""boeiend'', ""fascinerend'', ""uitdagend'', ""aangrijpend''. Kon altijd. Bij elkaar was het al bijna een stuk.

Een oprisping van melancholische somberheid overmande mij. Journalistiek was maar een dun laagje en niet eens met de verfroller aangebracht.

Bah, dacht ik, genoeg gedacht. Eén ding stond vast: de nieuwe Enzensberger was voor mij. Morgen de op vergadering zou ik mijn tanden laten zien.

(wordt vervolgd)