"Veldkamp zal Zandstra en Ritsma nooit meer voor pubers uitmaken'; "Jonge honden bevuilen altijd eerst hun eigen nest'; "Ik wil dat ze keurige vertegenwoordigers van Nederland zijn'

Bestuurders van de schaatsbond meldden begin januari dat LEEN PFROMMER, trainer van Jong Oranje, snel zou worden gepolst om Ab Krook aan het einde van dit seizoen als bondscoach van de allrounders op te volgen. De gepensioneerde militair heeft nog niets vernomen.

Toen Bart Veldkamp ter ore kwam dat Leen Pfrommer in beeld was voor de post van bondscoach van de allrounders, reageerde de schaatser furieus. “Als Pfrommer komt, stap ik uit de kernploeg”, waren zijn letterlijke woorden. Vanuit het oefenkamp in Davos schilderde Veldkamp de 56-jarige "oude meester' af als een man met conservatieve ideeën. Hij huiverde van Pfrommer vooral omdat deze volgens hem te werk gaat als een heel strenge onderwijzer van de oude stempel, bij wie geen enkele ruimte is voor inspraak. De Haagse "vrije jongen' Veldkamp, de onbetwiste leider van de nationale selectie, voelde zich blijkbaar bedreigd.

Pfrommer zegt “heel bedroefd” te zijn over die reactie. Juist omdat Veldkamp hem en zijn trainingsaanpak verre van goed kent. “Van de huidige zeven kernploegleden is Bart de enige, die nooit bij mij in Jong Oranje heeft gereden”, zegt de Apeldoornse coach. “En dat is blijkbaar een gemis voor hem geweest. Want als hij wèl tot mijn jeugdselectie had behoord, dan was hij beter opgevoed. Had hij die vervelende opmerkingen nooit in zijn hoofd gehaald. Maar ja, jonge honden bevuilen altijd eerst hun eigen nest. Bart smijt wel eens met schaatsen in de kleedkamer. Dat hoort ook niet.”

Veldkamp zorgde voor onrust binnen de Begeleidings Commissie Kernploegen (BCK), die namens de schaatsbond op zoek is naar een vervanger voor de vertrekkende Ab Krook. BCK-voorzitter Dick van Zanten liet aanvankelijk doorschemeren Pfrommer “heel geschikt” te vinden. “Waarom zouden we buiten de deur kijken als we een ervaren talent in eigen huis hebben?” vroeg hij zich af. Maar later bond hij in. Van Zanten zei toen dat Pfrommer gewoon één van de kandidaten was. Pas na overleg met alle betrokkenen, inclusief de rijders, zal de BCK te zijner tijd een voordracht doen.

De BCK is vermoedelijk geschrokken van de felle uitval van Veldkamp, die enige steun kreeg van Ben van der Burg en Thomas Bos. Dat tweetal liet zich ontvallen dat de verdiensten van Pfrommer minder groot waren dan menigeen veronderstelt. “Als junior kun je dank zij de goede gewestelijke trainers al heel veel voordat je in Jong Oranje komt”, zei het duo in koor.

Falko Zandstra liet zich in positieve zin uit over Pfrommer. “Want”, bekende de nieuwe Europese kampioen, “Leen heeft mij mijn luiheid afgeleerd.” Het was volgens Zandstra, die de trainer ooit omschreef als zijn tweede vader, niet altijd even leuk dat dat wel eens met een straftraining gepaard ging. Pfrommer spreekt dat laatste tegen. “Net als Ard Schenk vroeger was Zandstra geen trainingsdier. Dus zat ik hem voortdurend achter de vodden. Maar niet met strafoefeningen. Slechts één keer in mijn loopbaan heb ik daartoe besloten. Dat was vóór Falko's tijd, toen een groepje na een avondje stappen pas tegen één uur 's nachts in ons hotel terug kwam. Een uur te laat. Toen heb ik de wekkers om kwart over zes laten zetten voor een duurloop van tien kilometer.”

Pfrommer zegt niet wakker te liggen van de kritiek van Veldkamp cum suis. Ze heeft het zelfvertrouwen van de oud-sportofficier in het geheel niet aangetast. Tussen 1968 en 1977 was hij bondscoach van de allroundploeg, met Ard Schenk en Kees Verkerk, Jan Bols en Harm Kuipers. Onder zijn bewind haalde Nederland vijf wereldtitels, twee Europese kampioenschappen en vijf gouden Olympische medailles binnen. “Wat ik toen kon, kan ik nu nog”, meent Pfrommer, “want ik houd alle zaken goed bij. Ik volg de bijeenkomsten van het Nationale Coach Platvorm altijd. En ik ben, het meeste van alle leden, aanwezig op de zittingen van de Nederlandse schaats trainersvereniging.”

Bovendien, weet Pfrommer, heeft hij een goede opleiding. Van de militaire autoriteiten kreeg hij vroeger de kans de Academie voor Lichamelijke Opvoeding af te maken. Hij is bovendien in het bezit van het trainersdiploma van de bond. “Verder lees ik alle literatuur die ik kan vinden. Vrouwencoach Arie Koops studeert bewegingswetenschappen aan de universiteit en Krook heeft de Sport Hochschule afgemaakt, maar dat betekent niet dat ze zo veel verder zijn dan ik. Je ziet vaak dat vaktijdschriften nuttige informatie verstrekken die een jaar later pas in boekvorm verschijnt. Als je aan een instituut studeert, wil dat dus niet zeggen dat je tot het laatste moment bij bent.”

Wat doet Pfrommer als de BCK hem alnog benadert? Als de kernploeg zich tegen hem blijft verzetten, zegt hij, dan keert hij niet als trainer van de allrounders terug. Dat zou in zijn ogen zinloos zijn. Want dan wacht hem, vermoedt hij, hetzelfde lot als de vroegere vrouwencoaches Dinus Vos en Jan-Wiebe Last, die het leven in de ploeg bijzonder zuur werd gemaakt. En Pfrommer heeft het bij de jeugd - en als bondscoördinator - juist zo goed naar zijn zin. Hij hoeft niet zo nodig te promoveren. Toch zou hij best eens met Veldkamp van gedachten willen wisselen. Om hem uit te leggen dat hij geen “eigenwijs schoolmeesterachtig type” is. En om aan te geven dat hij zich tegenover de volwassen mannen “losser” zou opstellen dan tegenover de beginnelingen van Jong Oranje.

Maar Pfrommer maakt de indruk te betwijfelen of het ooit nog goed komt tussen Veldkamp en hem. De Apeldoorner, zelf vroeger een subtopper op het ijs, ergerde zich ook vorige zomer al aan enkele opmerkingen van de Haagse "flap-uit'. Veldkamp noemde Zandstra en Ritsma, beiden pas vrij kort lid van de kernploeg, destijds “pubers”. Pfrommer: “Die Hagenezen met hun grote bek drukken een zwaar stempel op de groep. Zij maken uit wat er gezegd en gedaan wordt. Veldkamp en Van der Burg menen met hun praatjes mensen in die richting te krijgen die zij willen. Ze proberen indruk te maken op hun collega's, zodat ze de eerste viool kunnen blijven spelen. Op en naast het ijs.”

Pfrommer feller: “Een Randstad-jongen moet 't winnen met zijn mond, een jongen van buiten moet zijn vuisten gebruiken om zich waar te maken. Dat was vroeger al zo, ook op het voetbalveld. Abe Lenstra, die zei ook niet veel, net als Ritsma en Zandstra. In het westen vonden medespelers hem een slappe Fries en een eigenwijze kerel. Ze probeerden hem in Oranje uit zijn evenwicht te brengen. Maar Abe trok zich daar niets van aan, liet ze op belangrijke momenten zelfs voor joker staan. Ook Zandstra en Ritsma laten zich niet intimideren. "Wacht maar, als ik aan de start sta, dan pak ik je', zag je ze bij het Europees kampioenschap denken, kijkend naar Veldkamp. En je zag hoe die kinderen hem versloegen. Dat moet heel hard zijn aangekomen bij Veldkamp. Die zal ze nooit meer voor pubers uitmaken.”

Pfrommer is ervan overtuigd dat hij een “belangrijke bijdrage” heeft geleverd aan de ontwikkeling van het Friese tweetal. Op de eerste plaats aan hun techniek: “Bijna geen enkele rijder is technisch vlekkeloos als hij op zeventienjarige leeftijd in Jong Oranje komt. Ik werk aan dat onderdeel twee jaar, keihard. Ritsma moet in dat opzicht nu nog verbeteren. Lukt dat, dan kan hij een echte concurrent van het supertalent Zandstra worden.”

Maar Pfrommers lessen gaan verder dan de techniek. “Een topper”, filosofeert hij, “is meer dan iemand die alleen maar zijn tak van sport beheerst. Als je geen uitstraling hebt, dan ben je bij het publiek niet in tel. Dat probeer ik de jongeren duidelijk te maken.”

Voordat Pfrommer naar een wereldkampioenschap gaat, schrijft hij de selectieleden altijd een brief. “Denk eraan, houd ik ze voor, dat je niet in spijkerkleding naar het slotbanket komt. Nee, een stropdas is niet nodig - hoewel ik dat best mooi vind - wel een behoorlijke broek en trui. En ik leer ze hoe ze zich moeten gedragen tegenover de pers. Ik zorg ervoor dat het keurige vertegenwoordigers worden van Nederland en niet van die eerste de beste boerenkinkels, die er zo maar van alles uitkwakken. Die lopen er al genoeg rond.”