Tentoonstelling over het onstaan van Engeland in het British Museum; Van heidense ruïne tot christelijk koninkrijk

Tentoonstelling: The making of England. Anglo-Saxon Art and Culture AD 600-900

British Museum, Great Russell Street, Londen. T/m 8 maart Dagelijks 10-17u; entree ¢8 3,catalogus ¢8 14,95

"The making of England' heet de grote overzichtstentoonstelling over de Angelsaksische cultuur in het British Museum in Londen. Het is een passende titel, want na het zien van driehonderd pronkstukken begrijpt de bezoeker inderdaad hoe uit de economische en staatkundige ruïne, die na het vertrek van de Romeinen aan het begin van de vijfde eeuw was ontstaan, langzaam de contouren van de nieuwe Engelse staat tevoorschijn kwamen.

De prachtige en uitgebreide tentoonstelling belicht drie eeuwen waarin de kunsten en wetenschappen in Engeland tot bloei kwamen. Als beginpunt kozen de samenstellers de definitieve komst van het christendom in Engeland in het jaar 597, het eindpunt is het jaar 899, waarin Koning Alfred, de eerste christelijke koning van het verenigd Engeland, stierf.

Rond 595 besloot paus Gregorius de Grote een missie naar Engeland te sturen "ter ondersteuning van hen die in Christus geloven'. Dit was niet de eerste keer dat vanuit Rome een poging werd ondernomen om Engeland te kerstenen. Al tijdens de laatste jaren van de Romeinse overheersing was er een kleine christelijke gemeenschap gevestigd in het zuiden van Engeland, maar die bestond voornamelijk uit Romeinse inwoners. Onder de lokale bevolking kende het christelijke geloof nauwelijks aanhangers, zodat het, met de Romeinen, ook weer vrijwel geheel uit Engeland verdween. De Engelse cultuur bestond omstreeks het midden van de zesde eeuw uit een mengeling van Keltische en van het continent overgewaaide Angelsaksische heidense tradities. In Ierland en Wales ontwikkelde zich het christendom verder, maar deze tak zou vanuit het beroemde klooster van Iona pas anderhalve eeuw later weer op Engelse bodem terugkeren.

De nieuwe poging van Gregorius had succes, want al snel nadat de monnik Augustinus, samen met een kleine groep volgelingen, in 597 in Kent voet aan wal had gezet, bekeerden de eerste lokale Angelsaksische leiders zich tot het christendom. En binnen vijftig jaar had de nieuwe religie zich over heel Zuid- en Midden-Engeland verspreid.

Deze snelle verspreiding had verstrekkende gevolgen. Het betekende de introductie van een geletterde elite, van geschreven bronnen, van scholen en van het Latijn als wetenschappelijke voertaal. Het is zeer waarschijnlijk dat de Kerk ook verantwoordelijk is geweest voor de verrassend snelle invoering van de geschreven wetteksten en regels. De nieuwbakken christelijke koningen werden er door de religieuze autoriteiten van overtuigd dat geschreven wetteksten en schriftelijk vastgelegde regels essentiële onderdelen vormden van het bestuur van een beschaafde christelijke maatschappij. Het mooiste voorbeeld van zo'n vroege, door het christendom geïnspireerde oorkonde is het edict van koning Hlothere uit het jaar 679. In dit geschrift, het oudste overgebleven originele exemplaar van dit soort (van oudere edicten zijn slechts latere kopieën bekend), wordt de schenking van koninklijke rechten aan het klooster in Reculver vastgelegd.

De bekering van de lokale elite tot het christendom betekende ook de impliciete erkenning van het bestaan van een autoriteit die zich uitstrekte tot over de grenzen van de eigen stam. Het christendom met zijn hiërarchische structuur bood een model waarin de al bestaande ideeën over een vorm van centraal koningschap gestalte konden krijgen. Het resultaat was verbluffend. Een schriftloze samenleving, bestaande uit een groot aantal elkaar bestrijdende stammen, veranderde binnen honderd jaar in een klein aantal centraal geregeerde christelijke koninkrijkjes, waarin de belangrijkste zaken schriftelijk werden afgehandeld en tenslotte binnen drie eeuwen in één christelijke Engelse staat.

Op materieel gebied betekende het nieuwe geloof vooral een impuls voor de bouwkunst en de kunstnijverheid. Kerken, liturgische geschriften, religieus vaatwerk, heiligenbeelden en altaarstukken, dit alles moest in groten getale vervaardigd worden. Alleen al in de eerste eeuw van het Engelse christendom moeten er, zo is uit onderzoek gebleken, meer dan tienduizend kopieën van allerlei liturgische teksten vervaardigd zijn, de meeste naar voorbeelden uit de mediterrane wereld. Het oudste exemplaar, een evangeliarium dat Augustinus zelf uit Rome meebracht, is bewaard gebleven.

Naast dit pronkstuk zijn in het British Museum fascinerende gouden sieraden, prachtig ijzersmeedwerk en vooral een groot aantal handschriften te zien uit deze belangrijke periode in de Engelse geschiedenis. Hoewel ze bijna allemaal de moeite van het noemen waard zijn, is er één stuk dat er uit springt. Het is tekst van het evangelie volgens Johannes. Dit omstreeks 698 in een prachtige minuskel geschreven werk is zo bijzonder omdat het, als enige tekst uit die periode, nog in de originele band zit. Bovendien is dit boek regelrecht verbonden met een van de beroemdste heiligen uit deze tijd. Het werd namelijk vervaardigd ter gelegenheid van de mis waarin de legendarische Cuthbert in 698 heilig werd verklaard.