Papendal, fata morgana van turnend Nederland; Turntraining met de inzet en overgave van Japanse salaryman

ARNHEM, 25 JAN. Wat bezielt deze turnsters? Kinderen nog. Zes meisjes tussen twaalf en vijftien. Om hun thuis te verlaten. Om hun ouders te verruilen voor een pleeggezin. Wat bezielt deze turners? Dertien jongens van twaalf tot twintig. Om dertig uur per week te trainen. Twee keer per werkdag. Eén keer op zondag. Net zoals de meisjes. Met de inzet en overgave van Japanse salarymen.

Wat beweegt deze trainers? Twee voor de meisjes en twee voor de jongens. Om zich te laten beschimpen en besmeuren. Onbegrip en gebrekkige condities accepterend. Om niet alleen te fungeren als coach maar ook als chauffeur en manusje-van-alles. Alsof het om een missie gaat.

Samen vormen ze het Nationaal Turninstituut, het turninternaat Papendal zoals het vroeger heette. Een professioneel bolwerk in een amateuristisch turnland. Zoals Nederland, volgens Gert-Jan Nieuwstad, assistent-trainer bij de meisjes, “een amateuristisch eiland in een professionele turnzee is”. Ondanks het instituut is Nederland nog steeds niet meer dan een voetnoot in de internationale turnhistorie. De vrouwenploeg eindigde bij de laatste wereldkampioenschappen als negentiende, een stapje hoger dan twee jaar tevoren. En de mannenploeg turnde een puntentotaal dat nooit eerder door een Nederlandse selectie bij elkaar was gesprokkeld. Goed voor een plaats als zesentwintigste.

“Mijn vriendinnen zeggen dat ik zoveel mis.” Ilse Voet, lid van Pro Patria, 14 jaar en sinds tweeeneenhalf jaar op Papendal, haalt haar frêle schouders op. “Maar ik zou niet weten wat ik mis. Ik ken ook niet anders. Dat ik niet in een normale klas zit, waar je veel harder moet blokken, nee, dat mis ik niet. Ook mijn ouders mis ik niet. Ja, ik zou best een keertje naar de disco willen, net zoals mijn vriendinnen. Maar zij zijn nooit in Moskou of Indianapolis geweest. En ik kan altijd nog later naar de disco.”

Ilse heeft zichtbare moeite om zich tot trainen te dwingen. Telkens pauzeert ze. Of ze probeert één van de andere meisjes tot een praatje te verleiden. Ze verveelt zich wezenloos. Vier weken geleden heeft ze bij een grondoefening een botje in haar elleboog gebroken. “Eigen schuld.” Sindsdien zit haar arm gevangen in het gips. Ze kan weinig anders doen dan haar coördinatie oefenen op de trampoline en de lage evenwichtsbalk. Haar andere arm trainen in het krachthonk. En stretchen, eindeloos stretchen.

Terwijl ze weet dat haar arm nog eens drie weken in het gips moet blijven. Pas daarna begint weer de moeizame opbouw die ten minste twee maanden zal vergen. Of ze dan op tijd klaar is voor de wereldkampioenschappen? “Nee, waarschijnlijk”, zegt ze. Peinzend: “Misschien ben ik tegen die tijd wel gestopt.” Om zichzelf direct te corrigeren. “Dat denk ik niet, hoor. Ik zou me doodvervelen. Als ik stop, zou ik niet meer weten wat ik met mijn tijd moest doen.”

Het wemelt tegenwoordig van de sportinternaten. Nederland kent voetbalinternaten, een ski-internaat, zelfs een waterpolo-internaat. Maar het Nationaal Turninstituut is van al die internaten altijd het meest besproken en het meest omstreden geweest. Dat is de twijfelachtige eer van de baanbreker, de voorloper, die de grootste weerstand oproept. Toen de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Bond in 1973 besloot de nationale vrouwenselectie van bondscoach Eva Bartha permanent op Papendal te stationeren, was dat voor Nederland een novum, een revolutionaire opzet. Maar ook een bron van zorg en argwaan. Tegenstanders klaagden over “kinderarbeid” en over “slaafse kopiëring van barbaarse Oosteuropese trainingspraktijken”. Ze waarschuwden voor “ontworteling” en “overbelasting” en “psychische beschadiging”.

Die kritiek is nooit geheel verstomd. Met enige regelmaat kwam het instituut in opspraak. Met eenzelfde frequentie werd voor stopzetting gepleit. Al halverwege de jaren zeventig vond een commissie van deskundigen dat het experiment “niet verantwoord” was “zolang geen duidelijkheid bestaat over de invloed van afzondering op de persoonlijkheidsontwikkeling van de kinderen”. Tien jaar later wees dokter Peter Vergouwen, van 1980 tot 1983 medisch begeleider van de nationale selectie, op het grote verloop en de schrikbarende hoeveelheid blessures. Publikatie van zijn bevindingen werd aanvankelijk door de Nationale Sport Federatie op aandrang van de KNGB geblokkeerd.

Tegelijkertijd constateerde een medewerkster van diezelfde federatie “concentratieproblemen” en “mentale problemen” bij de turnsters. “Ze krijgen te weinig slaap en rust, zijn altijd moe en de tijd voor fysiek herstel ontbreekt.” Gevolg van werkdagen die varieerden tussen de 14 en 17 uur. Het gymnastiekverbond reageerde in eerste instantie voortdurend afwerend op zulke kritiek. Als een oester die zich voor vijandige invloeden afsluit. Maar later trok de turnbond toch meestal lering uit het vastgestelde feilen. Zo is de medische begeleiding ingrijpend verbeterd. De schooldruk nam af nadat het Katholiek Gelders Lyceum een aangepast, individueel onderwijsprogramma had ontwikkeld: met minder lesuren en zonder huiswerk. Een individueel begeleider ziet er op toe dat het najagen van sportieve successen niet meer ten koste van de turnsters gaat.

Als Elvira Becks 's ochtends om zes uur uit haar bed stapt, kan Kirsten Strengers nog een uur blijven liggen. Elvira woont in Nijmegen thuis bij haar ouders. Kirsten verblijft samen met Paulien Siemers bij een pleeggezin in Oosterbeek.

Elvira Becks - tenger, vrolijk, 15 jaar - heeft twee ambities. Showdanseres worden. En schitteren in Barcelona. Bij het laatste wereldkampioenschap in Indianapolis is ze als zevenëntwintigste geëindigd. Kirsten Strengers - klein, kittig, 13 jaar - kan alleen nog maar dromen van zulke prestaties. “Ooit meedoen aan een wereldkampioenschap, dat zou al fantastisch zijn.”

Een doorsnee-dagje Papendal begint voor alle turners en turnsters hetzelfde. Thuis of bij het station worden ze opgepikt door een van de Olympische busjes, met vrouwenbondschoach Reinhard Tietz, vrouwentrainer Gert-Jan Nieuwstad of mannenbondscoach Jesus Hernandez achter het stuur. Vandaar gaat het eerst naar school. Les van acht tot negen uur.

Ook de rest van de dag onderhouden de busjes een soort pendeldienst. Eerst richting Papendal. Trainen van half tien tot half twaalf. Daarna weer terug naar school: van twaalf tot drie. Vervolgens rechtsomkeert naar Papendal. Trainen van half vier tot zeven uur. En tot slot nog een rondtocht om al die sporters weer naar hun pleeggezinnen of station te brengen.

Vrijdagavond na de laatste training gaan de meesten pas "echt' naar huis toe. Zondagmiddag moeten ze alweer terug zijn. Er wordt getraind van twee tot acht. Natuurlijk is het hard werken, zeggen de turnsters. Natuurlijk hebben ze soms bitter weinig zin. Bij voorbeeld als ze moe zijn, of als het slecht op school gaat of als een oefening steeds maar niet lukt. Maar dat gaat wel weer over, zeggen de turnsters. En ze hebben er toch zelf voor gekozen. Ze willen eruit halen wat erin zit, steeds maar beter worden. “Trainen is nooit echt gezellig. Maar het is ook weer niet beulen”, zegt Kirsten Strengers simpel. “Anders zou het niet meer leuk zijn. Dan wordt het "moeten'. Dat hoeft voor mij niet meer.”

Het Nationaal Turninstituut heeft in de loop der jaren alle stormen getrotseerd. Papendal werd halverwege de jaren tachtig zelfs uitgebreid met een mannensectie. Maar klinkende resultaten bleven achterwege. Sinds 1976 hebben Nederlandse ploegen zich nooit meer voor de Olympische Spelen gekwalificeerd.

Nederlandse turnliefhebbers hebben daar reeksen verklaringen voor, die elkaar soms aanvullen, soms ondermijnen. Tekenend voor het vaderlandse verenigingsleven, dat weinig samenhang en veel stammentwisten kent. Allereerst wijzen de specialisten op de explosieve ontwikkeling die het internationale turnen de afgelopen twintig jaar heeft doorgemaakt. Nog een prestatie van formaat dat Nederland op afstand heeft kunnen volgen.

Verder stellen ze vast dat de turnbond er nooit in is geslaagd om wedstrijdsport en topsport op elkaar af te stemmen. Daardoor is er veel talent vermorst. Elkaar opvolgende bondscoaches klaagden steeds dat de aansluiting van verenigingsleven op nationale selecties niet deugde, waardoor Papendal als een soort oase in de woestijn moest fungeren. Fata morgana van turnend Nederland.

Drie jaar geleden gingen er binnen de KNGB voorzichtig stemmen op om Papendal maar op te heffen. Een confrontatie bleef uit. De turnbond koos voor oprichting van regionale steunpunten die de afstand tussen verenigingen en Papendal moesten verkleinen. Maar vorig jaar september kwam het Nationale Turninstituut opnieuw onder vuur. Twee Noordhollandse afdelingen van de KNGB pleitten onomwonden voor liquidatie. De 800.000 gulden die jaarlijks aan Papendal wordt uitgegeven, zou zoveel beter aan de regionale centra kunnen worden besteed.

Daar kwam nog eens een aanval overheen van club- en steunpunt-trainers die zware kritiek leverden op het functioneren van Papendal, met name van de vrouwensectie. Reinhard Tietz, sinds april 1990 bondscoach bij de meisjes, afkomstig uit het voormalige Oost-Duitsland, werd beurtelings omschreven als een doetje en een kampbeul. Hij zou geen oog hebben voor de Nederlandse mentaliteit en de Nederlandse condities. Hij zou de contacten met de clubs hebben verwaarloosd. Achteloos wezen ze op het vertrek van Wyke Karten en Monique Slootmaker, twee Papendal-turnsters, die in oktober bij de vroegere bondscoach Boris Orlov "een veilig heenkomen' hadden gezocht.

Met zijn gedrongen gestalte, zijn onregelmatige, zwarte baard en zijn peinzende ogen ziet Reinhard Tietz eruit als een faun van het zachtaardige type. Hij gedraagt zich formeler en afstandelijker tegenover de meisjes dan zijn jongensachtige assistent Gert-Jan Nieuwstad. Waar Nieuwstad de fouten van zijn pupillen parodieert en zo op speelse wijze corrigeert, volstaat Tietz met nuchtere aanwijzingen en trefzekere gebaren. Maar wat Tietz en Nieuwstad gemeen hebben is een zichtbaar respect voor de meisjes. Ze houden rekening met stemmingen, met fysieke gesteldheid, met de reacties van hun pupillen.

Als Kirsten Strengers op de trampoline steeds scheef neerkomt met haar voeten, geeft Tietz streng commentaar, maar ook uitleg over het belang van correctie. En als het haar daarna aan de rekstok ook maar niet wil lukken en ze de moed lijkt te verliezen, neemt hij alle tijd om rustig op haar in te praten. Totdat ze weer voldoende moed verzameld heeft. “Een trainer is toch geen despoot”, zegt Tietz. “Met geweld zul je nooit iets bereiken. Je kunt alleen maar versterken wat uit de meisjes zelf komt. Daarvoor moet je kijken. Daarvoor moet je luisteren. Anders haken ze af want dat is het zwaarste van topsport: die alledaagse arbeid. Dat je nooit verslappen kunt.”

Nieuwstad heeft er schoon genoeg van dat hij zich op feestjes en partijen altijd moet verdedigen als zijn werk op Papendal over de tong gaat. Dus hij is zo'n vent die arme meisjes laat pezen. Dus hij is zo'n kerel die kwetsbare kinderruggen molt. “Alsof je op zo'n manier ooit tot prestaties kunt komen. Dat werkt juist averechts.”

Technische training is belangrijk bij turnen, zegt Nieuwstad. “Maar mentale training is nog veel belangrijker.” Met instemming citeert hij de vorige bondscoach Boris Orlov: “Een goede trainer is in de eerste plaats een pedagoog.” Dat betekent: niet afhankelijkheid stimuleren maar juist zelfstandigheid. “Zodat ze niet steeds meer naar de trainer hoeven stappen om te horen wat ze hebben fout gedaan maar zelf hun oefeningen op een creatieve manier kunnen analyseren.” Dat betekent ook: hun zelfvertrouwen sterken, hen leren om tegenslagen te verwerken. “Zodat ze completere mensen worden.” Zo'n Ilse Assen die binnenkwam als een schichtig musje en nu met opgeheven koppie door de wereld wandelt, daar put Nieuwstad zijn grootste voldoening uit.

Dat buitenstaanders het nationale turncentrum met argwaan bekijken, kan Tietz nog wel begrijpen. Maar dat zijn Nederlandse vakbroeders hem belasteren en belagen vindt hij beschamend. “Nog nooit”, zegt hij, “nog nooit zijn er zoveel halve waarheden, leugens en verhalen die op niets gebaseerd zijn over mij verteld als in Nederland.” Hij voelt zich beschadigd. Met walging vraagt hij zich af “hoe smerig mijn nest is”. “Terwijl ik het zelf niet één keer heb bevuild.”

Hij wil de Nederlandse situatie niet vergelijken met het systeem in zijn vroegere vaderland Oost-Duitsland, waar meer dan 150 trainingscentra bestonden en waar elke club tussen de 20 en 30 trainers had. “Dat systeem is dood”, zegt hij eenvoudig. Hij accepteert dat “Nederland een ander land is met andere omstandigheden”. Maar wat hij niet aanvaardt is dat de turnbond zich alleen maar in naam tot topsport bekend heeft. Zonder een samenhangend lange termijnbeleid te voeren. “Je kunt niet een beetje doen aan topsport. Dan wordt het helemaal niks.”

Nieuwstad schetst de opbouw van het Nederlandse turnen. Hij tekent een breed blok met daarop een dun lijntje. Die streep is Papendal. “Dat zou een pyramide moeten worden”, luidt zijn oordeel. “Maar dat lukt alleen als je al in de verenigingen op jongere leeftijd aan een consequente opbouw begint.” Tietz vult aan dat Papendal pas dan werkelijk een kans krijgt om talent te ontwikkelen. “In plaats alleen maar bij te schaven wat tevoren fout is aangeleerd.”

Een begenadigde turnster als Elvira Becks is puur het resultaat van toeval, zeggen Tietz en Nieuwstad. Ze is er niet gekomen dankzij die nationale topsportaanpak. “Maar ondanks die structuur. Door op dezelfde voet door te gaan zal nooit substantiële vooruitgang worden geboekt.”

Opheffing van Papendal heeft de turnbond voorlopig weten te vermijden. Een projectgroep Top-en wedstrijdsport dient binnen enkele maanden “een door alle geledingen gedragen meerjarenbeleid te formuleren”, zoals Bart Buys, hoofd top- en wedstrijdsport van de KNGB, het plechtig uitdrukt. Daarin komt ook de positie van Papendal aan bod.

Buys wil niet vooruit lopen op die rapportage. Wel zegt hij dat het ideaal zou zijn om een nationaal turninstituut te hebben met daarnaast een aantal regionale centra waar op hoog niveau wordt getraind. “Maar of dat op korte termijn ook realistisch is?” Ook de KNGB moet woekeren met haar geld. En kiezen voor decentralisatie? “Beëindiging van Papendal zou onmiddellijk een geweldige terugslag hebben op het nationale turnniveau.” Volgens Tietz zou de KNGB daarmee voor eens en altijd afscheid nemen van de topsport. “Maar hoe belangrijk is eigenlijk topsport?” Tietz geeft zelf het antwoord. “Voor hen die haar bedrijven heel belangrijk. Omdat ze inhoud aan hun leven geeft.”